Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 30 maart 1941. B. Heuvelink, P. Julianastraat 29, Castricum. De Directeur van het Marktwezen, Amsterdam. [Rechtsboven:]
Castricum 30/3. 41
[Linksboven, paars stempel:]
No. 90 / 14 / 1 M. 1941 1/4
Aan den Directeur
van het Marktwezen
Amsterdam
Weledel Heer,
Bij deze kom ik,
met een vriendelijk
verzoek tot U. om
vrijstel van staan op de
markt Mosplein, alwaar
ik een vaste plaats heb.
Rede hiervan is,
te weinig handel om
uit te kunnen pakken
en dat daarom de
kosten te hoog zijn.
Gaarne een gunstig
antwoord van U
gemoet ziende, teken ik
met de meeste Hoogachting
[Handtekening:] B. Heuvelink
B. Heuvelink
Castricum
P. Julianastr 29
[Rechtsonder in potlood:] 90 In deze korte, zakelijke brief verzoekt B. Heuvelink uit Castricum de directeur van het Amsterdamse Marktwezen om vrijstelling van zijn verplichting om op de markt aan het Mosplein te staan. Hoewel hij daar een vaste standplaats heeft, geeft hij aan dat de economische situatie hem dwingt tot dit verzoek.
De kern van zijn argumentatie is tweeledig:
1. Gebrek aan klandizie: Er is "te weinig handel" om het uitpakken van de goederen te rechtvaardigen.
2. Onrendabiliteit: Door de lage omzet wegen de gemaakte kosten (waarschijnlijk de marktgelden en reiskosten vanuit Castricum) te zwaar.
De brief is geschreven in een duidelijk leesbaar, enigszins formeel handschrift dat typerend is voor de vroege 20e eeuw. Het document dateert van maart 1941, bijna een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De locatie van de markt, het Mosplein, bevindt zich in Amsterdam-Noord.
Tijdens de bezetting verslechterden de economische omstandigheden voor marktkooplieden snel. Door schaarste, de invoering van de distributiebonnen en een afnemende koopkracht onder de bevolking werd het voor veel kleine handelaren onmogelijk om het hoofd boven water te houden. Bovendien waren er restricties op vervoer, wat voor een handelaar uit Castricum (ongeveer 30 km van Amsterdam) extra hindernissen opwierp.
Dit verzoek is illustratief voor de dagelijkse overlevingsstrijd van kleine ondernemers in oorlogstijd, waarbij de vaste lasten van een standplaats niet langer gedekt konden worden door de schamele inkomsten. De afkorting "P. Julianastr" in het adres van de afzender is opmerkelijk: de naam van Prinses Juliana was door de bezetter verboden voor straatnamen, maar werd door burgers in correspondentie vaak nog langdurig gebruikt als uiting van stil verzet of gewoonte. B. Heuvelink P. Julianastr P. Julianastraat Marktwezen
Samenvatting
In deze korte, zakelijke brief verzoekt B. Heuvelink uit Castricum de directeur van het Amsterdamse Marktwezen om vrijstelling van zijn verplichting om op de markt aan het Mosplein te staan. Hoewel hij daar een vaste standplaats heeft, geeft hij aan dat de economische situatie hem dwingt tot dit verzoek.
De kern van zijn argumentatie is tweeledig:
1. Gebrek aan klandizie: Er is "te weinig handel" om het uitpakken van de goederen te rechtvaardigen.
2. Onrendabiliteit: Door de lage omzet wegen de gemaakte kosten (waarschijnlijk de marktgelden en reiskosten vanuit Castricum) te zwaar.
De brief is geschreven in een duidelijk leesbaar, enigszins formeel handschrift dat typerend is voor de vroege 20e eeuw.
Historische Context
Het document dateert van maart 1941, bijna een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De locatie van de markt, het Mosplein, bevindt zich in Amsterdam-Noord.
Tijdens de bezetting verslechterden de economische omstandigheden voor marktkooplieden snel. Door schaarste, de invoering van de distributiebonnen en een afnemende koopkracht onder de bevolking werd het voor veel kleine handelaren onmogelijk om het hoofd boven water te houden. Bovendien waren er restricties op vervoer, wat voor een handelaar uit Castricum (ongeveer 30 km van Amsterdam) extra hindernissen opwierp.
Dit verzoek is illustratief voor de dagelijkse overlevingsstrijd van kleine ondernemers in oorlogstijd, waarbij de vaste lasten van een standplaats niet langer gedekt konden worden door de schamele inkomsten. De afkorting "P. Julianastr" in het adres van de afzender is opmerkelijk: de naam van Prinses Juliana was door de bezetter verboden voor straatnamen, maar werd door burgers in correspondentie vaak nog langdurig gebruikt als uiting van stil verzet of gewoonte.