Getypte brief op grijsblauw papier (doorslag).
Origineel
Getypte brief op grijsblauw papier (doorslag). 11 september 1941. [Handgeschreven aantekening bovenaan:] Verzonden 11/9
VD/HG.
den Heer Hoofdinspecteur v/d Arbeid,
Hoofd v/h Ve District der Arbeids-
inspectie,
Droogbak 1a,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 9.
97/6/1 M. 1 11 September 1941.
Onder terugzending van de mij gezonden kaart heb ik de eer U te berichten, dat in het halgebouw op de Centrale Markt een aantal zelfstandige kleinfabrikanten voor de fabricatie van sigaren is gevestigd, waarvan enkelen personeel hebben. De Gemeente treedt ten deze uitsluitend als verhuurster der werkplaatsen c.a. op.
De Directeur, De brief is een formeel antwoord van de directeur (waarschijnlijk van de Centrale Markt in Amsterdam) aan de Hoofdinspecteur van de Arbeid. De aanleiding is een eerder door de Arbeidsinspectie toegezonden "kaart" (waarschijnlijk een verzoek om inlichtingen).
De kern van de mededeling is dat er in het halgebouw van de Centrale Markt verschillende kleine, zelfstandige sigarenfabrikanten actief zijn. De schrijver benadrukt twee punten:
1. Sommige van deze fabrikanten hebben personeel in dienst (relevant voor de Arbeidsinspectie).
2. De gemeente Amsterdam heeft geen zakelijke of bestuurlijke bemoeienis met de productie; zij fungeert enkel als verhuurder van de werkruimtes.
Hiermee bakent de directeur de verantwoordelijkheid van de gemeente af en verschaft hij de nodige informatie voor de inspectie van arbeidsomstandigheden of naleving van regelgeving door deze ondernemers. Het document dateert van september 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode nam de bureaucratische controle op de economie en de arbeidsmarkt sterk toe.
De Centrale Markt aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam was een cruciaal knooppunt voor de voedselvoorziening, maar bood blijkbaar ook ruimte aan kleinschalige industrie, zoals de sigarenmakerij. De sigarenindustrie was in die tijd nog een belangrijke sector met veel kleine werkplaatsen.
Hoewel de brief strikt zakelijk en administratief van aard is, valt de datum (1941) op. In deze periode werden er door de bezetter steeds strengere regels opgelegd aan bedrijven, in het bijzonder met betrekking tot het registreren van Joodse eigenaren of werknemers (de zogeheten "Arisering" van het bedrijfsleven). Hoewel dit document daar niet direct over spreekt, past de inventarisatie van zelfstandige ondernemers en hun personeel door de Arbeidsinspectie binnen het kader van de verscherpte toezicht- en registratiedrift tijdens de oorlogsjaren. Gemeente Amsterdam
Samenvatting
De brief is een formeel antwoord van de directeur (waarschijnlijk van de Centrale Markt in Amsterdam) aan de Hoofdinspecteur van de Arbeid. De aanleiding is een eerder door de Arbeidsinspectie toegezonden "kaart" (waarschijnlijk een verzoek om inlichtingen).
De kern van de mededeling is dat er in het halgebouw van de Centrale Markt verschillende kleine, zelfstandige sigarenfabrikanten actief zijn. De schrijver benadrukt twee punten:
1. Sommige van deze fabrikanten hebben personeel in dienst (relevant voor de Arbeidsinspectie).
2. De gemeente Amsterdam heeft geen zakelijke of bestuurlijke bemoeienis met de productie; zij fungeert enkel als verhuurder van de werkruimtes.
Hiermee bakent de directeur de verantwoordelijkheid van de gemeente af en verschaft hij de nodige informatie voor de inspectie van arbeidsomstandigheden of naleving van regelgeving door deze ondernemers.
Historische Context
Het document dateert van september 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode nam de bureaucratische controle op de economie en de arbeidsmarkt sterk toe.
De Centrale Markt aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam was een cruciaal knooppunt voor de voedselvoorziening, maar bood blijkbaar ook ruimte aan kleinschalige industrie, zoals de sigarenmakerij. De sigarenindustrie was in die tijd nog een belangrijke sector met veel kleine werkplaatsen.
Hoewel de brief strikt zakelijk en administratief van aard is, valt de datum (1941) op. In deze periode werden er door de bezetter steeds strengere regels opgelegd aan bedrijven, in het bijzonder met betrekking tot het registreren van Joodse eigenaren of werknemers (de zogeheten "Arisering" van het bedrijfsleven). Hoewel dit document daar niet direct over spreekt, past de inventarisatie van zelfstandige ondernemers en hun personeel door de Arbeidsinspectie binnen het kader van de verscherpte toezicht- en registratiedrift tijdens de oorlogsjaren.