Tweede pagina van een officiële circulaire of schrijven (afschrift).
Origineel
Tweede pagina van een officiële circulaire of schrijven (afschrift). Vermoedelijk kort na de Eerste Wereldoorlog (gezien de verwijzing naar een kennisgeving van 17 oktober 1918). -2-
Gelet op het bovenstaande verdient het o.i. aanbeveling, dat de aanvragen om schadevergoeding door rechthebbenden zoo spoedig mogelijk worden ingediend. Wij geven U derhalve in overweging, voor zooveel eigendommen van Uw gemeente/Uw waterschap ingevolge de toepassing van de onderhavige wet zijn beschadigd of aan de vrije beschikking van Uw gemeente/Uw waterschap zijn onttrokken, ten spoedigste een aanvrage om vergoeding van de geleden schade, indien deze althans als het onmiddellijke en dadelijke gevolg van het voorbereiden of het stellen der inundatiën moet worden beschouwd, in te dienen bij den Secretaris-Generaal, waarnemend Hoofd van het Departement van Defensie.
Een overeenkomstige gedragslijn ware te volgen met betrekking tot het verkrijgen van schadeloosstelling op grond van de wet van 23 Mei 1899, Staatsblad no. 128, houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 195 der Grondwet (Staat van Oorlog en Beleg).
Artikel 15 dier wet bepaalt, dat het militair gezag bevoegd is alles te doen wegruimen, wat aan een behoorlijke verdediging in den weg staat en dat daarvoor schadeloosstelling wordt verleend, tenzij bij de wet anders is bepaald of het tegendeel overeengekomen is.
Volgens artikel 16 is het militair gezag bevoegd wegen, wateren, terreinen en gebouwen, zoo noodig met de daarin aanwezige werktuigen, aan provincien, gemeenten, waterschappen of particulieren toebehoorende, in gebruik te nemen, wanneer dit voor de uitoefening van den militairen dienst noodzakelijk is, en wordt voor het gebruik schadeloosstelling verleend, tenzij het tegendeel overeengekomen is.
Ingevolge artikel 17 moeten belanghebbenden tot het verkrijgen van schadeloosstelling op grond van de artikelen 15 en 16 een aanvrage indienen aan den Minister van Defensie en zulks, voor zooveel betreft het geval, bedoeld in artikel 15, binnen een maand, nadat de Staat van Oorlog of de Staat van Beleg is opgeheven, en in het geval, genoemd in artikel 16, binnen een maand na de dagteekening van de in dat artikel bedoelde kennisgeving van de wederbeschikbaarstelling van het gebruikte eigendom.
De bovenvermelde kennisgeving van den toenmaligen Minister van Oorlog d.d. 17 October 1918 heeft mede betrekking op het doen van een aanvrage om schadevergoeding op grond van artikel 17 der onderhavige wet. Voor zooveel eigendommen van Uw gemeente/Uw waterschap ingevolge de toepassing van deze wet zijn weggeruimd of in gebruik genomen, ware mitsdien onverwijld een aanvrage om schadevergoeding in te dienen bij den Secretaris-Generaal voornoemd.
Wij noodigen U uit zorg te dragen, dat het bovenstaande voor zooveel noodig ter kennis wordt gebracht van ingezetenen Uwer gemeente/ingelanden, c.q. tevens gebruikers van landerijen in Uw waterschap.
Sh.
Gedeputeerde Staten
van Noordholland,
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van Amsterdam,
A. Röell, Voorzitter.
M.A. Stufkens, Griffier. De tekst op deze pagina zet de administratieve en wettelijke kaders uiteen voor het claimen van schadevergoeding door lagere overheden (gemeenten en waterschappen) en hun burgers. Het betreft schade ontstaan door militaire ingrepen, zoals het onder water zetten van land (inundatie) of het slopen van gebouwen en beplanting die een vrije schootslijn belemmerden.
De kernpunten zijn:
* Indiening: Claims moeten worden ingediend bij de Secretaris-Generaal van het Departement van Defensie.
* Wettelijke basis: De artikelen 15, 16 en 17 van de Wet op de Staat van Oorlog en Beleg (1899) vormen de juridische grondslag voor zowel de bevoegdheid van het leger als het recht op vergoeding.
* Termijnen: Er gelden strikte termijnen (één maand na opheffing van de staat van beleg of teruggave van het goed) voor het indienen van verzoeken.
* Informatieplicht: De Provincie verzoekt de gemeenten en waterschappen om ook particuliere belanghebbenden (ingezetenen en ingelanden) hiervan op de hoogte te stellen. Hoewel Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) neutraal bleef, was het leger gemobiliseerd en werden er uitgebreide defensieve voorbereidingen getroffen, met name langs de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Dit document illustreert de bureaucratische afhandeling van de materiële gevolgen van deze mobilisatie. De verwijzing naar oktober 1918 suggereert dat dit schrijven is verstuurd rond het einde van de vijandelijkheden of kort daarna, toen de 'Staat van Beleg' werd afgebouwd en de balans van de gemaakte kosten en geleden schade kon worden opgemaakt. Het toont de rol van de provincie als schakel tussen het Rijk (Defensie) en de lokale gemeenschap.