Archief 745
Inventaris 745-366
Pagina 192
Dossier 30
Jaar 1941
Stadsarchief

Doorslag van een getypte brief met handgeschreven kanttekeningen.

15 januari 1948. Van: Waarschijnlijk het kabinet van de Luitenant Gouverneur-Generaal (gezien de paraaf/naam van H.J. van Mook). Aan: Den Hoog Edelgeboren Heer de Directeur van Economische Zaken te Jakarta.

Origineel

Doorslag van een getypte brief met handgeschreven kanttekeningen. 15 januari 1948. Waarschijnlijk het kabinet van de Luitenant Gouverneur-Generaal (gezien de paraaf/naam van H.J. van Mook). Den Hoog Edelgeboren Heer de Directeur van Economische Zaken te Jakarta. (Getranscribeerd vanuit het spiegelbeeld naar leesbare tekst)

[Handgeschreven linksboven:] W. Thorne
[Handgeschreven midden:] H.J. van Mook

15 Januari 1948.

den Hoog Edelgeboren Heer
Directeur van Economische Zaken,
J A K A R T A

Onder verwijzing naar Uw schrijven d.d. 10 Januari j.l. no. 237/AG en mijn schrijven d.d. 5 Juni j.l. no. 726/I.C. over de zoutvoorziening van de Buitenbezittingen, deel ik U mede, dat onderhandelingen thans lopende zijn betreffende het zoutmonopolie, zoals bepaald bij besluit van 15 Maart 1947 no. 1422/L.E.

Andere zoutproducerende landen in de Zuid-Oost Aziatische regio zijn, als gevolg van de verstoorde exportmogelijkheden, in het algemeen niet tot een overvloed van de zoutwinning gekomen, een overvloed die de voortzetting van productie onder normale omstandigheden mogelijk zou hebben gemaakt.

Ik heb echter ook nog ter kennis dat, indien deze uitbreiding van de productie-mogelijkheden niet slaagt, dit op termijn tekorten op de Buitenbezittingen voor zoutconsumenten kan veroorzaken.

Ten aanzien van de vraag of dit uitgifte van vergunningen aan de particuliere zoutindustrieën op Madura het gewenscht is, de zoutwinning door hen te hervatten of bij de opvoering van de productie zout uit andere landen aan te voeren, merk ik op, dat bij de overweging van een hervatting der zoutproductie op Madura rekening gehouden dient te worden met de noodzaak dat bij de hervatting van de productie de particuliere industrieën een technisch-economische eenheid vormen en dat de zoutproductie zelve de technologische mogelijkheden voor een zoutmonopolie mogelijk moet maken.

Tenslotte zij opgemeld dat in Maart 1947 reeds mededeling gedaan is aan de belanghebbenden voor het zout-probleem van hunne zoutproductie op Madura, zodat ook voor dezelve geen nieuwe factoren treden als thans mocht worden besloten indien de producenten de aan hen gestelde termijnen hebben moeten overschrijden. Overigens is de algemene uitbreiding van de particuliere industrie ter plaatse door de verstoorde toestand en de betrokken functionaliteiten een speciale stelling van zaken die, naar mijn mening, niet dient te worden gebruikt als een verzwarende omstandigheid voor de makers van de vooral op Madura gelegen zoutpannen, indien zij op korte termijn de zoutproductie (c.q. de zoutexploitatie) nog niet in volle omvang hebben kunnen realiseren. * Kernvraag: De brief behandelt de complexe balans tussen het herstellen van de zoutproductie door private partijen op Madura en het handhaven van het overheidsmonopolie op zout.
* Logistieke zorgen: Er is vrees voor tekorten in de 'Buitenbezittingen' (de eilanden buiten Java/Madura) omdat de export vanuit andere Aziatische landen hapert door de naoorlogse instabiliteit.
* Economische structuur: De overheid streeft naar een "technisch-economische eenheid" onder de producenten. Dit suggereert een vorm van gedwongen samenwerking of kartelvorming onder toezicht van de staat om de efficiëntie te verhogen en de controle te behouden.
* Coulance: De schrijver pleit voor een zekere mate van begrip voor de vertragingen bij particuliere producenten, gezien de "verstoorde toestand" (de militaire en politieke onrust in de regio). Deze correspondentie vindt plaats in een zeer roerige periode van de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog. Januari 1948 was de maand van het Renville-akkoord, waarin werd geprobeerd een wapenstilstand tussen Nederland en de Republiek Indonesië te bestendigen.

Zout was in die tijd niet alleen een essentieel levensmiddel voor de bevolking en de visserij, maar ook een belangrijke bron van belastinginkomsten via het Zoutmonopolie (de Zoutregie). Controle over de zoutpannen op Madura was strategisch van groot belang. Hubertus van Mook (wiens naam op het document staat) probeerde als Luitenant Gouverneur-Generaal de economie in de door Nederland bezette gebieden te consolideren, terwijl de politieke toekomst van de archipel nog hoogst onzeker was. De brief illustreert hoe de koloniale administratie, ondanks de oorlog, probeerde de vooroorlogse monopolies en structuren te herstellen.

Samenvatting

  • Kernvraag: De brief behandelt de complexe balans tussen het herstellen van de zoutproductie door private partijen op Madura en het handhaven van het overheidsmonopolie op zout.
  • Logistieke zorgen: Er is vrees voor tekorten in de 'Buitenbezittingen' (de eilanden buiten Java/Madura) omdat de export vanuit andere Aziatische landen hapert door de naoorlogse instabiliteit.
  • Economische structuur: De overheid streeft naar een "technisch-economische eenheid" onder de producenten. Dit suggereert een vorm van gedwongen samenwerking of kartelvorming onder toezicht van de staat om de efficiëntie te verhogen en de controle te behouden.
  • Coulance: De schrijver pleit voor een zekere mate van begrip voor de vertragingen bij particuliere producenten, gezien de "verstoorde toestand" (de militaire en politieke onrust in de regio).

Historische Context

Deze correspondentie vindt plaats in een zeer roerige periode van de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog. Januari 1948 was de maand van het Renville-akkoord, waarin werd geprobeerd een wapenstilstand tussen Nederland en de Republiek Indonesië te bestendigen.

Zout was in die tijd niet alleen een essentieel levensmiddel voor de bevolking en de visserij, maar ook een belangrijke bron van belastinginkomsten via het Zoutmonopolie (de Zoutregie). Controle over de zoutpannen op Madura was strategisch van groot belang. Hubertus van Mook (wiens naam op het document staat) probeerde als Luitenant Gouverneur-Generaal de economie in de door Nederland bezette gebieden te consolideren, terwijl de politieke toekomst van de archipel nog hoogst onzeker was. De brief illustreert hoe de koloniale administratie, ondanks de oorlog, probeerde de vooroorlogse monopolies en structuren te herstellen.

Kooplieden in dit dossier 100

Accountants honorarium
Afschrijving op Meubelen en Inventaris
Algemeene Kosten
W.F. Siebert Uilenburg
G.A. Erhendreich Uilenburg C.Douwesweg, schip "Cornelia" no. 3562
G. Barbieri Uilenburg Latherusstraat 48 hs
Barmhartigheid, I. *K30181* Uilenburg Rapenburgerstraat 56
L. Barmhartigheid Uilenburg Jodenbreestraat 28 I
Batum, W.F. van *K30138 1/7'41* Uilenburg Bestevaerstraat 70 I
Beesemer, I. *K.30185* Uilenburg Alex. Boersstraat 7
Berg, I. v.d. **K30924** Uilenburg
M. v.d.Berg Uilenburg
Bever, B. van *K30190 1/7'41* Uilenburg Krugerstraat 25
B. Van Zwanenburgwal Zandstraat 16 III
Biet, B. *K30193 1/7'41* — Uilenburg Rapenburgerstraat 116 I
N. Blaugrund Uilenburg
Bleekveld, B. *K30195 1/10'41* Uilenburg Vrolikstraat 128 II
Blog, G. *K30202* — Uilenburg Tilanusstraat 23 II
Boas, J. *K30213 1/7'41* Uilenburg Valkenburgerstraat 150 II
Boeken, D. *K. 30215* Uilenburg Lepelstraat 2 c III
G.M. Hogers Uilenburg Rozenstraat 198 hs
G.A. Erhendreich Uilenburg
J. Premsela Uilenburg
D. Eitje Uilenburg
E. Engelsman Uilenburg
Fierlier, J. *K 30301 t/m 1/7 '41* Uilenburg
Frank, J. *K 30304 t/m 1/2 '41* Uilenburg
S. Frank Uilenburg
M. Franschman Uilenburg
F. van Uilenburg
Alle 100 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 4