Ambtelijke brief/memorandum van de Gemeente Amsterdam (waarschijnlijk afkomstig van de Burgemeester of een Wethouder) gericht aan de Directeur der Publieke Werken.
Origineel
Ambtelijke brief/memorandum van de Gemeente Amsterdam (waarschijnlijk afkomstig van de Burgemeester of een Wethouder) gericht aan de Directeur der Publieke Werken. 14 januari 1941 100/6/1 M.1941. (handgeschreven)
AMSTERDAM, 14 Januari 1941.
No 25/5 P.W.1941.
In de memorie van beantwoording van het verslag der afdeelingen van den Gemeenteraad over de begrooting voor 1941 hebben Burgemeester en Wethouders naar aanleiding van een daaromtrent in bedoeld verslag gestelde vraag geantwoord, dat de vraag, in hoeverre uitbreiding van het volkstuinwezen dienstbaar kan worden gemaakt aan de voedselvoorziening, door hen is overwogen en dat zy, mede na overleg met den provincialen Voedselcommissaris tot de conclusie zyn gekomen, dat de exploitatie van volkstuinen geenszins het meest productieve gebruik van grond, mest, zaad en pootgoed waarborgt, zoodat die exploitatie, bezien uit een oogpunt van voedselvoorziening, niet dient te worden bevorderd. Reden om in de huidige omstandigheden maatregelen te nemen voor een byzondere uitbreiding van volkstuincomplexen bestaan daarom niet.
Op myn spreekuur van 13 dezer vervoegde zich het bestuur van den Bond van Volkstuinders, dat myn aandacht voor deze zaak opnieuw vroeg. Het Bestuur deelde my mede, dat de betrokken Ryksinstantie, die blykbaar tot dusverre het exploiteeren van volkstuinen, bezien uit het oogpunt van voedselvoorziening, niet wenschte te bevorderen, thans een andere meening zou zyn toegedaan, zulks met het oog op de huidige voedselpositie van Nederland. Het Bestuur van gemelden Bond verzocht in verband hiermede myn medewerking om van gemeentewege grond ter beschikking te stellen, ten einde dien grond dienstbaar te kunnen maken aan de teelt van groenten door leden van den Bond.
Ik acht het vorenstaande van voldoende belang U te verzoeken my
den Directeur der PUBLIEKE WERKEN.
S.U. (handgeschreven initialen linksonder) Het document illustreert de verschuivende houding van de overheid ten aanzien van volkstuinen tijdens de vroege oorlogsjaren. In eerste instantie namen Burgemeester en Wethouders (B&W) en de Voedselcommissaris een puur economisch en landbouwkundig standpunt in: volkstuinen werden als inefficiënt beschouwd wat betreft het gebruik van schaarse middelen zoals mest en pootgoed in vergelijking met grootschalige landbouw.
De brief laat echter een omslag zien: onder druk van de Bond van Volkstuinders en door de verslechterende "voedselpositie van Nederland", wordt de Directeur van Publieke Werken gevraagd om alsnog grond beschikbaar te stellen. De taal is formeel-ambtelijk met de destijds gebruikelijke spelling (zoals zyn, byzondere, begrooting). In januari 1941 bevond Nederland zich in de eerste winter van de Duitse bezetting. De voedseldistributie was reeds ingevoerd en de zorgen over tekorten namen toe. Volkstuinen, die voor de oorlog vooral een recreatieve functie hadden, werden tijdens de hongerjaren cruciaal voor de zelfvoorziening van de stedelijke bevolking. Dit document markeert het moment waarop de gemeente Amsterdam haar beleid moest aanpassen aan de grimmige realiteit van de oorlogseconomie: het ideaal van maximale landbouwkundige efficiëntie moest wijken voor de noodzaak om burgers de kans te geven hun eigen voedsel te verbouwen op braakliggende gemeentegrond.