Ambtelijk advies / Brief
Origineel
Ambtelijk advies / Brief 15 maart 1940 (genoteerd als 'x40') De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Publieke Werken of een aanverwante sociale dienst) Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen 1 15 Maart x 40
1/17/2 den Heer Wethouder voor de
Alhier. Levensmiddelen,
Blijkens zijn zich onder de stukken bevindend rapport
d.d. 24 Februari jl. (No.Grb.574 Doss.H/A 3046) vraagt mijn
Ambtgenoot voor de Publieke Werken zich af, "of deze vorm van
bodemproductie wel de meest productieve is en of het nuttig is,
in dezen tijd een minder productief gebruik van mest, zaad en
pootgoed te bevorderen, met als resultaat de vermeerdering van
een product, waarvoor de beroepstuinder reeds thans geen loonen-
de markt kan vinden". Deze vragen van mijn Ambtgenoot worden
door mij beslist ontkennend beantwoord: ik wees er hierboven
reeds op, dat voor de voedselvoorziening aan groente in het
geheel geen behoefte bestaat, waarbij komt, dat het onderhavige
terrein naar mijn meening ongetwijfeld op nuttiger wijze kan
worden gebruikt, door het te verpachten voor den verbouw van
bijvoorbeeld voeder-bieten: de verbouw van veevoeder behoort
namelijk in deze tijden mijns inziens sterk te worden aange-
moedigd. Door een dergelijke bestemming aan het terrein te geven,
wordt ongetwijfeld beter beantwoord aan de bedoelingen van den
Wetgever, die het braak laten liggen van gronden verbiedt, dan
door het aanmoedigen van overbodigen amateur-tuinbouw. Ik advi-
seer U mitsdien wel te willen bevorderen, dat het onderhavige
verzoek wordt van de hand gewezen.
Tenslotte diene nog, dat het Bestuur van den Bond
van Volkstuinders in zijn zich onder de stukken bevindenden
brief d.d. 3 Februari jl. eenige onderwerpen behandelt, zooals
vrijstelling van stempelen, schenken van schoppen, kunstmest,
enz., welke onderwerpen mijns inziens aan het advies van Uw
Ambtgenoot voor den Maatschappelijken Steun behooren te worden
onderworpen.
De Directeur, In dit document adviseert de Directeur de Wethouder voor de Levensmiddelen om een verzoek voor het gebruik van een terrein (vermoedelijk voor volkstuinen) af te wijzen. De kern van het argument is economisch en strategisch:
1. Marktverzadiging: Er is volgens de Directeur al voldoende groente en beroepstuinders kunnen hun producten momenteel al moeilijk verkopen. Extra productie door amateurs zou de markt verder verstoren.
2. Strategisch belang: In plaats van groenten voor menselijke consumptie pleit hij voor de teelt van veevoer (voederbieten), wat in de toenmalige tijdsgeest belangrijker werd geacht voor de algemene voedselvoorziening.
3. Wettelijke plicht: Er wordt verwezen naar de plicht om gronden productief te gebruiken; amateur-tuinbouw wordt hierbij als minderwaardig of "overbodig" weggezet ten opzichte van professionele landbouw of veeteelt-ondersteuning.
4. Sociale aspecten: Aanvragen van de Bond van Volkstuinders over materiële steun (schoppen, mest) worden doorverwezen naar de afdeling Maatschappelijke Steun. Het document dateert van 15 maart 1940, slechts twee maanden voor de Duitse inval in Nederland. De termen "in dezen tijd" en "in deze tijden" verwijzen naar de gespannen internationale situatie en de Nederlandse mobilisatie. De overheid was in deze periode zeer gefocust op de nationale voedselvoorziening en zelfvoorzienendheid.
Opmerkelijk is de afwijzende houding tegenover amateur-tuinbouw. Waar volkstuinen later in de oorlog (tijdens de Hongerwinter) een cruciale rol zouden spelen in het overleven van de stedelijke bevolking, worden ze hier door het ambtelijk apparaat nog gezien als een inefficiënte vorm van bodemgebruik die de professionele markt in de weg zit. Het document illustreert de bureaucratische afwegingen aan de vooravond van een periode van schaarste. Publieke Werken