Telegram.
Origineel
Telegram. 12 juni 1942. De Burgemeester van Amsterdam (Edward Voûte). S.L. Louwes, Directeur-Generaal van het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd (RBVO), gevestigd in Scheveningen. [Stempel bovenaan]
Nº 547 L.M. 1942 12/6
[Handgeschreven rechtsboven]
Markth.
[Links]
TELEGRAM
[Adres]
Heer Louwes, Directeur Generaal Rijksbureau
Voedselvoorziening Oorlogstijd
Scheveningen.
[Berichttekst]
De verkoop voor consumptie van diverse soorten koolplanten
neemt een zoodanigen omvang aan, dat daardoor ernstig gevreesd moet
worden voor een gebrek aan wintergroenten.
Verzoeke dringend spoedig hiertegen maatregelen.
De Burgemeester van Amsterdam.
[Handgeschreven midden links]
Verzonden 12 Juni 42
10 uur v.m.
[Stempel onderaan]
Nº 26/19 / M. 1942 13/6
[Handgeschreven rechtsonder]
2 c Dit telegram is een officieel noodsignaal over de dreigende voedseltekorten in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kern van de zaak is de voortijdige consumptie van koolplanten. In plaats van deze plantjes op het land te laten uitgroeien tot volwaardige kolen voor de wintervoorraad, worden ze door de nijpende schaarste nu al als jonge plantjes verkocht en gegeten.
De burgemeester (Voûte) hanteert een alarmerende toon ("ernstig gevreesd", "dringend spoedig") omdat deze praktijk de voedselzekerheid voor de komende winter direct in gevaar brengt. Het document toont de bureaucratische afhandeling van de voedselvoorziening: het werd verzonden op 12 juni en de stempel onderaan suggereert een verwerking of ontvangstbevestiging op 13 juni. De notitie "Markth." verwijst zeer waarschijnlijk naar de Centrale Markthallen in Amsterdam, de plek waar deze handel werd geconstateerd. In juni 1942 was Nederland ruim twee jaar bezet door nazi-Duitsland. De voedselvoorziening stond onder enorme druk door vorderingen van de bezetter en stagnerende import. Het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd (RBVO), geleid door S.L. Louwes, was verantwoordelijk voor de distributie en de productieplanning.
Het feit dat mensen jonge planten aten, getuigt van de groeiende wanhoop en de zwarte handel. Om de winter door te komen, was een strikte planning van de oogst essentieel. Maatregelen tegen dergelijke "vroegtijdige" consumptie waren nodig om te voorkomen dat er in de wintermaanden helemaal geen groenten meer beschikbaar zouden zijn. De burgemeester van Amsterdam was in deze periode Edward Voûte, die door de bezetter was aangesteld maar wel verantwoordelijk bleef voor de dagelijkse gang van zaken en de rust in de stad. S.L. Louwes Rijksbureau