Officiële circulaire/brief van de Gemeente Amsterdam.
Origineel
Officiële circulaire/brief van de Gemeente Amsterdam. 16 juli 1942. De Burgemeester en de Gemeentesecretaris van Amsterdam. Heeren Hoofden van administratiën, diensten en bedrijven. GEMEENTE AMSTERDAM
AMSTERDAM, 16 Juli 1942.
No. 1022a Arb. 1942.
Onderwerp :
Herplaatsing van vroegere ambtenaren
en arbeidscontractanten in openbaren dienst.
[Handgeschreven rechtsboven:] ni. Dit noteer [onleesbaar initiaal]
De Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken deelde mij bij schrijven van 18 Juni j.l., No. 65799, afd. Ambtenarenzaken, mede, dat de Commissaris-Generaal voor Bestuur en Justitie op 11 Juni 1942 de volgende beschikking heeft getroffen, genummerd Ve St-896/42 :
„Op grond van Par. 2 der Verordening No. 137/40 betreffende de regeling van de rechtspositie (rechtliche und finanzielle Verhältnisse) van ambtenaren en overig personeel, alsmede van bepaalde beëedigde personen, bepaal ik :
Ambtenaren en overig personeel, door den Rijkscommissaris of door mij, resp. op mijn aanwijzing, uit ambt of dienst ontslagen, mogen slechts opnieuw in openbaren dienst worden aangesteld, indien tevoren mijn goedkeuring is verkregen.
Als wederaanstelling in openbaren dienst moet elke tewerkstelling in dienst van het Rijk, van een provincie, een gemeente of van een ander publiekrechtelijk lichaam of een privaatrechtelijk lichaam worden beschouwd, waaraan de Staat, een provincie, een gemeente of een ander publiekrechtelijk lichaam deelneemt, voorts ook elke werkzaamheid aan een openbare of bijzondere school.
Voor zoover dergelijke benoemingen van ontslagen personeel te voren reeds hadden plaats gevonden, zal ik voor elk geval afzonderlijk beslissen, of deze benoemingen al dan niet toelaatbaar waren. Ik verzoek U daartoe, mij over elk geval afzonderlijk onder opgave van de omstandigheden in te lichten.
Onveranderd van kracht blijft de Anordnung van den Commissaris-Generaal voor de Openbare Veiligheid van 24 Februari 1942, in zake de wederaanstelling van personeel der gemeentepolitie en der marechaussee, die uit den dienst zijn ontslagen.
Ik verzoek U de noodige stappen te doen tot uitvoering van deze verordening in het geheele, onder U ressorteerende gebied.”
Ik verzoek U wel bij het aanstellen of het doen van voorstellen voor het aanstellen van personeel met het bovenstaande rekening te willen houden.
Opgaven, als bedoeld in de vierde alinea van de hiervoren vermelde beschikking, zie ik gaarne vóór den 26 Juli a.s. van U tegemoet, (inzenden afdeeling Arbeidszaken) ten einde deze aan den Secretaris-Generaal voornoemd te kunnen doorgeven. Indien ik vóór dien datum van U geen bericht ontvang, zal ik aannemen, dat Uwerzijds geen opgave te verwachten is.
De Burgemeester van Amsterdam,
[Handgeschreven handtekening: E.J. Voûte]
de Gemeentesecretaris,
[Handgeschreven handtekening: Franken]
Aan
Heeren Hoofden van administratiën,
diensten en bedrijven.
[Onderaan stempel/druk:] Stadsdrukkerij Amsterdam 13566-7-42-150
[Handgeschreven links onderaan:] No 89/45/1 M. 1942 Dit document is een ambtelijke mededeling van het Amsterdamse gemeentebestuur tijdens de Duitse bezetting. De kern van de brief is de beperking van de vrijheid om personeel aan te nemen.
- Controle: De bezetter (via de Commissaris-Generaal voor Bestuur en Justitie, Friedrich Wimmer) stelt vast dat iedereen die eerder door de Duitse autoriteiten is ontslagen, niet zomaar opnieuw in publieke dienst mag treden. Dit vereist expliciete toestemming van de Duitse autoriteiten.
- Brede reikwijdte: De definitie van 'openbare dienst' wordt zeer ruim geïnterpreteerd: niet alleen de directe overheid, maar ook scholen en private lichamen waar de overheid in deelneemt.
- Handtekeningen: De brief is ondertekend door Edward Voûte, de door de Duitsers aangestelde burgemeester van Amsterdam (NSB-sympathisant, hoewel formeel partijloos tot 1944). Zijn medewerking aan dergelijke verordeningen typeert het bestuurlijk apparaat onder de bezetting.
- Deadline: Er wordt een strakke deadline gesteld (26 juli, slechts tien dagen na dagtekening) voor het inventariseren van reeds herstelde ambtenaren. In 1942 was de 'nazificatie' van het Nederlandse ambtenarenapparaat in volle gang. Verordening 137/40, waarnaar in de tekst wordt verwezen, was een cruciaal instrument voor de bezetter om "onbetrouwbare" elementen (zoals Joden, communisten, en actieve anti-Duitse personen) uit de publieke dienst te verwijderen.
Dit specifieke document laat de 'tweede fase' van deze zuivering zien: het dichtmaken van de achterdeur. Men wilde voorkomen dat ontslagen personen via een omweg (bijvoorbeeld bij een gesubsidieerde instelling of een andere gemeente) weer aan de slag gingen. Het document illustreert hoe de Nederlandse gemeentelijke bureaucratie werd ingezet om de Duitse uitsluitingspolitiek administratief te handhaven. De vermelding van de Anordnung van 24 februari 1942 betreffende de politie en marechaussee herinnert eraan dat voor gewapende diensten nog strengere regels golden onder de SS-leiding (Openbare Veiligheid).