Getypte brief (typoscript) op een klein formaat papier/kaart.
Origineel
Getypte brief (typoscript) op een klein formaat papier/kaart. 28 januari 1942. Amsterdam, 28 Januari 1942
Mynheer,
In antwoord op Uw verzoek om myn
ventvergunning in te leveren, deel ik U
beleefd mede, dat ik deze reeds eenige
weken geleden heb moeten afgeven.
Hoogachtend,
[handtekening]
Nº 10/3/37 M. 1942 2/2
[rechtsonder, handgeschreven:] 4/75 De kern van dit document is de mededeling van de afzender dat hij zijn "ventvergunning" (een vergunning voor straathandel) niet meer kan inleveren, omdat hij deze al enkele weken eerder heeft moeten afstaan.
Het document vertoont de typische kenmerken van bureaucratische correspondentie uit de bezettingstijd. De paarse stempel onderaan ("Nº 10/3/37 M. 1942 2/2") duidt op een administratieve registratie door de ontvangende instantie, waarschijnlijk een afdeling van de Amsterdamse politie of de gemeente die belast was met marktwezen en vergunningen. De toon is formeel en "beleefd", wat gebruikelijk was in officieel verkeer, zelfs onder dwang. De datum, 28 januari 1942, plaatst dit document midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode voerde de bezetter de druk op de bevolking, en specifiek op de Joodse medeburgers, steeds verder op.
Het intrekken van ventvergunningen was een van de vele maatregelen om de bewegingsvrijheid en de economische zelfstandigheid van bepaalde groepen (vooral Joden) te vernietigen. Veel straatverkopers in Amsterdam waren Joods. In de loop van 1941 en 1942 werden zij stelselmatig uit het economische leven geweerd door het intrekken van hun vergunningen. De opmerking dat de vergunning "reeds eenige weken geleden" is afgegeven, suggereert dat de afzender al eerder doelwit was van een vordering of dat er sprake was van een administratieve overlap tussen verschillende instanties die de vergunningen opeisten. Dit document is daarmee een tastbaar bewijs van de bureaucratische afwikkeling van de ontheffing van beroepsuitoefening tijdens de bezetting. Marktwezen Politie
Samenvatting
De kern van dit document is de mededeling van de afzender dat hij zijn "ventvergunning" (een vergunning voor straathandel) niet meer kan inleveren, omdat hij deze al enkele weken eerder heeft moeten afstaan.
Het document vertoont de typische kenmerken van bureaucratische correspondentie uit de bezettingstijd. De paarse stempel onderaan ("Nº 10/3/37 M. 1942 2/2") duidt op een administratieve registratie door de ontvangende instantie, waarschijnlijk een afdeling van de Amsterdamse politie of de gemeente die belast was met marktwezen en vergunningen. De toon is formeel en "beleefd", wat gebruikelijk was in officieel verkeer, zelfs onder dwang.
Historische Context
De datum, 28 januari 1942, plaatst dit document midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode voerde de bezetter de druk op de bevolking, en specifiek op de Joodse medeburgers, steeds verder op.
Het intrekken van ventvergunningen was een van de vele maatregelen om de bewegingsvrijheid en de economische zelfstandigheid van bepaalde groepen (vooral Joden) te vernietigen. Veel straatverkopers in Amsterdam waren Joods. In de loop van 1941 en 1942 werden zij stelselmatig uit het economische leven geweerd door het intrekken van hun vergunningen. De opmerking dat de vergunning "reeds eenige weken geleden" is afgegeven, suggereert dat de afzender al eerder doelwit was van een vordering of dat er sprake was van een administratieve overlap tussen verschillende instanties die de vergunningen opeisten. Dit document is daarmee een tastbaar bewijs van de bureaucratische afwikkeling van de ontheffing van beroepsuitoefening tijdens de bezetting.