Handgeschreven ambtelijke brief.
Origineel
Handgeschreven ambtelijke brief. 6 februari 1942. Onbekende instantie (waarschijnlijk Marktwezen of Politie Amsterdam). De Directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau, Passeerdersgracht, Amsterdam. A’dam, 6/2 1942
Dir. Gewest. Arbeidsbureau
Passeerdersgracht
Alhier.
Volgens afspraak heb ik de eer U
in bijlage dezes de definitieve lijst te doen
toekomen van de Joodsche straathandelaren,
die in het bezit waren van een ventvergun-
ning en die dezerzijds zijn opge-
roepen om hun v.v. te mijnen
kantore in te leveren. Alle op
deze lijst voorkomende (manlijke) venters,
zijn dezerzijds aangezegd zich
onverwijld te melden bij Uwe
Afdeeling W.
[Onderaan:]
18/3/43 M (in rood potlood/krijt)
6/2/42 HG (geparafeerd)
sd (in blauwe inkt) Het document is een zakelijke correspondentie uit de bezettingstijd waarin de administratieve uitsluiting van Joodse burgers wordt geformaliseerd. De kern van de brief is de intrekking van de "v.v." (ventvergunning) van Joodse straathandelaren.
Een cruciaal detail is de handgeschreven toevoeging van het woord "manlijke" tussen de regels in blauwe inkt. Dit wijst erop dat de lijst specifiek werd gescreend voor tewerkstelling of deportatie. De verwijzing naar "Afdeeling W" van het Arbeidsbureau is eveneens van groot belang; dit was de afdeling die verantwoordelijk was voor de tewerkstelling (vaak als eufemisme voor dwangarbeid).
De rode aantekening "18/3/43 M" suggereert dat dit document ruim een jaar later opnieuw is geraadpleegd of verwerkt in een ander dossier, wat duidt op de voortdurende administratieve vervolging van de personen op de genoemde (maar hier niet aanwezige) bijlage. Ten tijde van dit schrijven (februari 1942) was de uitsluiting van Joden uit het openbare en economische leven in Nederland in volle gang. Na de eerste grote razzia's in 1941 werden Joden systematisch beroofd van hun middelen van bestaan. Het intrekken van ventvergunningen was een effectieve methode om Joodse marktkooplieden en straatverkopers (een grote groep in Amsterdam) werkloos te maken.
Zodra deze mannen werkloos waren, werden zij via het Gewestelijk Arbeidsbureau (aan de Passeerdersgracht) opgeroepen voor de zogenaamde 'Werkverruiming' of tewerkstelling in werkkampen in Nederland, wat voor velen de opmaat was naar deportatie naar de vernietigingskampen in het oosten vanaf de zomer van 1942. Dit document vormt daarmee een schakel in de bureaucratische voorbereiding van de Holocaust in Nederland. Marktwezen Politie
Samenvatting
Het document is een zakelijke correspondentie uit de bezettingstijd waarin de administratieve uitsluiting van Joodse burgers wordt geformaliseerd. De kern van de brief is de intrekking van de "v.v." (ventvergunning) van Joodse straathandelaren.
Een cruciaal detail is de handgeschreven toevoeging van het woord "manlijke" tussen de regels in blauwe inkt. Dit wijst erop dat de lijst specifiek werd gescreend voor tewerkstelling of deportatie. De verwijzing naar "Afdeeling W" van het Arbeidsbureau is eveneens van groot belang; dit was de afdeling die verantwoordelijk was voor de tewerkstelling (vaak als eufemisme voor dwangarbeid).
De rode aantekening "18/3/43 M" suggereert dat dit document ruim een jaar later opnieuw is geraadpleegd of verwerkt in een ander dossier, wat duidt op de voortdurende administratieve vervolging van de personen op de genoemde (maar hier niet aanwezige) bijlage.
Historische Context
Ten tijde van dit schrijven (februari 1942) was de uitsluiting van Joden uit het openbare en economische leven in Nederland in volle gang. Na de eerste grote razzia's in 1941 werden Joden systematisch beroofd van hun middelen van bestaan. Het intrekken van ventvergunningen was een effectieve methode om Joodse marktkooplieden en straatverkopers (een grote groep in Amsterdam) werkloos te maken.
Zodra deze mannen werkloos waren, werden zij via het Gewestelijk Arbeidsbureau (aan de Passeerdersgracht) opgeroepen voor de zogenaamde 'Werkverruiming' of tewerkstelling in werkkampen in Nederland, wat voor velen de opmaat was naar deportatie naar de vernietigingskampen in het oosten vanaf de zomer van 1942. Dit document vormt daarmee een schakel in de bureaucratische voorbereiding van de Holocaust in Nederland.