Archief 745
Inventaris 745-373
Pagina 7
Dossier 2A
Jaar 1942
Stadsarchief

Ambtsbrief / Correspondentie

15 mei 1939 Van: De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen (F. van Meurs)

Origineel

Ambtsbrief / Correspondentie 15 mei 1939 De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen (F. van Meurs) GEMEENTE AMSTERDAM [stempel: Markten 67]
№ 10/10/3 M. 1939
AMSTERDAM, 15 Mei 1939.

AFD. L.M.
No. 233 - 1939 -
BIJLAGEN

MEN WORDT VERZOCHT BIJ HET ANTWOORD
NAUWKEURIG HET NUMMER EN DE AFDEELING
VAN DIT SCHRIJVEN TE VERMELDEN.

[handgeschreven paraaf/aantekening: mr. v. W. / Hoofdafd.]

Bijgaande doe ik U toekomen een adres d.d. 6 Maart j.l. van den Algemeenen Ventersbond, met verzoek om de straten waar een ventverbod bestaat, voor lompenventers vrij te geven. Mede als eerste gevolg van dit verzoek werd bij besluit van Burgemeester en Wethouders van 31 Maart j.l., No. 197 L.M. met ingang van 1 Mei voor de Weesperstraat een ventverbod uitgevaardigd, waarbij het voornemen werd geuit aan lompenventers dispensatie van dit verbod te geven.

Het bovengenoemde verzoek heeft echter een wijdere strekking. Bij overweging hiervan moet m.i. in aanmerking worden genomen, dat het lompenventen van anderen aard is dan het venten met welk ander artikel ook. Nog afgezien van de omstandigheid, dat een lompenventer niet verkoopt, maar koopt, moet bij het in het oog vatten van het verschil vooral hieraan aandacht worden besteed, dat het tegengesteld is aan het belang van den lompenventer zich langer dan strikt noodig, in een straat op te houden. Hoe sneller hij zich van den eenen klant naar den anderen kan begeven en dus van de eene straat naar de andere, hoe meer zijn belang er mede gediend is. Dit is volkomen te begrijpen, daar de huisvrouwen niet dagelijks, maar slechts sporadisch oude kleeren of iets dergelijks te verkoopen hebben. Een venter met andere artikelen heeft gemeenlijk er belang bij zich op bepaalde plaatsen lang op te houden, omdat zijn verkoop mede afhankelijk is van het passeerend publiek. Dientengevolge is, naar het mij wil voorkomen, de verkeershinder, die lompenventers eventueel zouden kunnen veroorzaken, gering en aanmerkelijk veel geringer dan bezorgers van melk, brood, aardappelen en groente, die buiten de Ventverordening vallen, veroorzaken.

Ik meen dus dat hierin gegronde aanleiding is om het bovengenoemde verzoek in te willigen.

Gaarne zal ik hierover Uw meening vernemen.

VM

De Wethouder voor de Levensmiddelen,
Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen,

Aan
den heer Burgemeester
(Hoofdcommissaris van Politie).

(get.) F. VAN MEURS

[handgeschreven linksonder:] Model G.A. 6 25.000-1-'39
[handgeschreven rechtsonder:] 18 In deze brief pleit Wethouder F. van Meurs bij de Burgemeester (tevens Hoofdcommissaris van Politie) voor een versoepeling van de regels voor lompenventers. De kern van zijn betoog is dat lompenventers (opkopers van oude textiel en metalen) wezenlijk verschillen van reguliere straatverkopers.

De belangrijkste argumenten die worden aangevoerd zijn:
1. Economisch verschil: Een lompenventer koopt goederen in bij burgers in plaats van goederen te verkopen aan passanten.
2. Verkeershinder: Omdat lompenventers afhankelijk zijn van "huisvrouwen" die slechts af en toe iets aan te bieden hebben, moeten zij constant in beweging blijven. Zij hebben er geen belang bij om op één plek stil te blijven staan, in tegenstelling tot andere venters die juist wachten op voorbijgangers.
3. Vergelijking met andere beroepen: De wethouder stelt dat lompenventers minder overlast veroorzaken dan melk- of broodbezorgers, die vreemd genoeg wél buiten de algemene Ventverordening vallen.

Het document toont een ambtelijke afweging tussen ordehandhaving (ventverboden ter voorkoming van verkeersopstoppingen) en de economische noodzaak van een specifieke beroepsgroep. De brief dateert uit mei 1939, een periode vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog waarin Amsterdam kampte met grote verkeersdrukte in de smalle binnenstad. De Weesperstraat, die specifiek wordt genoemd, was destijds een drukke verkeersader en een centrum van de Joodse buurt met veel handelsactiviteit.

Lompenventers vervulden een cruciale rol in de toenmalige circulaire economie; zij zorgden voor de recycling van textiel (voor de papierindustrie) en metalen. De "Algemeenen Ventersbond" was een actieve belangenvereniging die opkwam voor de rechten van deze vaak arme, zelfstandige handelaren. Wethouder Florentinus (Floris) van Meurs, die de brief ondertekende, was namens de SDAP (Sociaal-Democratische Arbeiderspartij) verantwoordelijk voor diverse sociale en facilitaire zaken in de stad. Zijn pleidooi getuigt van een praktisch inzicht in de dagelijkse realiteit van de Amsterdamse straathandel.

Samenvatting

In deze brief pleit Wethouder F. van Meurs bij de Burgemeester (tevens Hoofdcommissaris van Politie) voor een versoepeling van de regels voor lompenventers. De kern van zijn betoog is dat lompenventers (opkopers van oude textiel en metalen) wezenlijk verschillen van reguliere straatverkopers.

De belangrijkste argumenten die worden aangevoerd zijn:
1. Economisch verschil: Een lompenventer koopt goederen in bij burgers in plaats van goederen te verkopen aan passanten.
2. Verkeershinder: Omdat lompenventers afhankelijk zijn van "huisvrouwen" die slechts af en toe iets aan te bieden hebben, moeten zij constant in beweging blijven. Zij hebben er geen belang bij om op één plek stil te blijven staan, in tegenstelling tot andere venters die juist wachten op voorbijgangers.
3. Vergelijking met andere beroepen: De wethouder stelt dat lompenventers minder overlast veroorzaken dan melk- of broodbezorgers, die vreemd genoeg wél buiten de algemene Ventverordening vallen.

Het document toont een ambtelijke afweging tussen ordehandhaving (ventverboden ter voorkoming van verkeersopstoppingen) en de economische noodzaak van een specifieke beroepsgroep.

Historische Context

De brief dateert uit mei 1939, een periode vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog waarin Amsterdam kampte met grote verkeersdrukte in de smalle binnenstad. De Weesperstraat, die specifiek wordt genoemd, was destijds een drukke verkeersader en een centrum van de Joodse buurt met veel handelsactiviteit.

Lompenventers vervulden een cruciale rol in de toenmalige circulaire economie; zij zorgden voor de recycling van textiel (voor de papierindustrie) en metalen. De "Algemeenen Ventersbond" was een actieve belangenvereniging die opkwam voor de rechten van deze vaak arme, zelfstandige handelaren. Wethouder Florentinus (Floris) van Meurs, die de brief ondertekende, was namens de SDAP (Sociaal-Democratische Arbeiderspartij) verantwoordelijk voor diverse sociale en facilitaire zaken in de stad. Zijn pleidooi getuigt van een praktisch inzicht in de dagelijkse realiteit van de Amsterdamse straathandel.

Kooplieden in dit dossier 100

Andries Agsteribbe Waterlooplein linnen
A. Agsteribbe Waterlooplein lingerie
A. Agsteribbe-Bilder-beek Waterlooplein lappen
A.J.G. Bakker Waterlooplein id.
A. Berclouw Waterlooplein huish. artikelen.
A. Berclouw Waterlooplein huish. artikelen.
A. Berclouw Uilenburg huish. artikelen.
A. Berclouw Waterlooplein huish. artikelen
A.Berelouw Waterlooplein huish.artikelen
A. Besselon Waterlooplein lederwaren
A. Beuclon Waterlooplein lederwaren
Aaron Blaaser Uilenburg geliquideerd
A. Blanes Waterlooplein kousen en sokken
A. Blans Waterlooplein kousen en sokken
A. Boeken Uilenburg groente en fruit
A. Boeken Uilenburg groente en fruit
Abraham Canes Waterlooplein kousen en sokken
A. Copenhagen Waterlooplein textiel
A. Cosman Waterlooplein kousen en sokken
A. David Waterlooplein manufacturen
A. David Waterlooplein manufacturen
Abraham de Vries Waterlooplein textiel
Abraham de Vries Waterlooplein textiel
Abraham de Vries Waterlooplein textiel
A. de Vries Waterlooplein textiel
A. Dotsch Waterlooplein visch
A. Dotsch Waterlooplein visch
A. Dotsch Waterlooplein visch
A. Drubber Waterlooplein kousen en sokken
A. Drukker Waterlooplein kousen en sokken
Alle 100 kooplieden →