Ambtelijk advies / Brief (doorslag).
Origineel
Ambtelijk advies / Brief (doorslag). 17 maart 1939. Onbekend (geparafeerd/ondertekend door M. Müller, mogelijk secretarie-afdeling vP/G). [Rechtsboven handgeschreven:] M. Müller
[Rechtsboven stempel/type:] vP/G.
18/10/2 M
1
17 Maart 1939.
Verzoek van den Algemeenen
Venters-, Markt- en Stand-
plaatshoudersbond in Nederland
om ventverboden niet voor den Heer Wethouder
lompenventers te doen gelden. voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d.
13 dezer om advies ontvangen stuk no.233 L.M.1939 heb ik de
eer U te berichten, dat den adressant niet kan worden toege-
geven, dat het nimmer in de bedoeling zou hebben gelegen om
ventverboden ook voor de lompenventers te doen gelden.
Weliswaar veroorzaken deze venters in het algemeen minder
overlast dan die met andere artikelen, doch het verkeer in
bepaalde straten wordt er ongetwyfeld mee gediend, wanneer
daar ook de lompenventers worden geweerd. Ik zou dan ook een
algemeen voorschrift, krachtens hetwelk ventverboden nimmer
op lompenventers toepasselyk zyn, ontraden. Ook lykt het my
ongewenscht, dat in bepaalde straten, waar een ventverbod
geldt, een uitzondering voor de lompenventers (als groep)
zou worden toegegestaan, aangezien de consequentie van een der-
gelyke uitzondering kan zyn, dat ook andere groepen venters
(byvoorbeeld zy die met een mand venten) om een zelfde gunst
verzoeken.
Daarby komt nog, dat een uitzondering voor een ge-
heele categorie van venters by de bestaande redactie der
Ventverordening myns inziens niet mogelyk is. Krachtens ar-
tikel 3 lid 3 van deze Verordening kan aan bepaalde personen
een schriftelyke vergunning tot ontheffing van een ventver-
bod worden verleend; Burgemeester en Wethouders missen ech-
ter naar myn meening de bevoegdheid een dergelyke dispensa-
tie voor een geheele groep van personen te verleenen. Indien [tekst breekt hier af] Het document is een formeel ambtelijk advies aan de wethouder naar aanleiding van een verzoek van een vakbond voor straathandelaren. De kern van het advies is negatief: de ambtenaar adviseert de wethouder om het verzoek van de 'lompenventers' (opkopers van oude kleding en textiel aan de deur) af te wijzen.
De argumentatie rust op drie pijlers:
1. Verkeersveiligheid: Hoewel lompenventers wellicht minder overlast bezorgen dan andere verkopers, is het weren van alle venters noodzakelijk voor de doorstroming in drukke straten.
2. Precedentwerking: Het toestaan van een uitzondering voor één specifieke groep zou ertoe leiden dat ook andere groepen (zoals venters met manden) om soortgelijke privileges gaan vragen.
3. Juridische grondslag: De vigerende 'Ventverordening' staat weliswaar individuele ontheffingen toe (op basis van artikel 3), maar biedt geen ruimte om een hele beroepsgroep collectief uit te zonderen. Het college van B&W zou hiermee zijn bevoegdheden te buiten gaan. Dit document stamt uit maart 1939, een periode van economische spanning vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In die tijd was het beroep van 'lompenventer' een veelvoorkomende, maar marginale vorm van zelfstandige arbeid, vaak uitgevoerd door mensen uit de lagere sociale klassen.
De overheid probeerde in deze jaren de openbare orde en het toenemende verkeer in de steden meer te reguleren via verordeningen. De strijd tussen de individuele overlevingsdrang van straatventers en de gemeentelijke drang naar ordening en modernisering van het stadsbeeld is in dit document duidelijk zichtbaar. De formele, juridische toon is typerend voor de Nederlandse bureaucratie van het interbellum, waarbij vastgehouden wordt aan de letter van de verordening om 'rechtsongelijkheid' of ongewenste precedenten te voorkomen.