Ambtelijk advies / Intern memo.
Origineel
Ambtelijk advies / Intern memo. Augustus 1942 (verwijst naar een verzoek van 10-08-1942). 20/21/3 A 42 1/9 27
Aan den Wethouder kan m.i.
worden bericht, dat R. Baumstein
in zijn verzoek d.d. 10-8-42 om
in aanmerking te mogen komen
voor een plaats op een der openbare
(: niet-Joodsche) markten onzerzijds
is medegedeeld, dat daartegen geen
bezwaren bestaan.
Hoewel R. Baumstein Jood is zijn
de bepalingen ten aanzien van de
Joodsche straathandel op hem niet
van toepassing, aangezien Baumstein
van Hongaarsche nationaliteit is
en blijkens het schrijven van den
Beauftragte des Rijkscommissaris
voor de stad Amsterdam (m.b.h.:
77/6a h. d 42, d.d. 18-5-42) voor
Hongaarsche Joden vooralsnog een
uitzonderingsbepaling is gemaakt
van welke opheffing, zooals nader
omschreven in de laatste alinea van
genoemden brief, - voor zoover mij
bekend - nog geen sprake is.
Aan Baumstein kan m.i. geantwoord worden,
dat geen bezwaren bestaan
tegen zijn toelating op de niet-Joodsche
markten, met welke mededeeling
hij zich tot de daartoe bevoegde [instantie kan wenden]. Dit document is een ambtelijke notitie waarin wordt geadviseerd over de marktrechten van een Joodse man genaamd R. Baumstein in augustus 1942. De kern van de zaak is de segregatie van de Amsterdamse markten tijdens de Duitse bezetting. Joden mochten in die periode in de regel alleen nog handelen op specifiek aangewezen "Joodsche markten".
De schrijver van het document concludeert echter dat Baumstein een uitzondering is. Omdat hij de Hongaarse nationaliteit bezit, vallen de anti-Joodse beperkingen met betrekking tot straathandel (op dat moment) niet op hem terug. Dit wordt onderbouwd door een eerdere instructie van de Beauftragte (de Duitse gevolmachtigde voor Amsterdam, Hans Böhmcker). Het advies aan de wethouder is dan ook om Baumstein toe te staan op de reguliere ("niet-Joodsche") markten te staan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog voerde de Duitse bezetter stapsgewijs maatregelen in om Joden uit het openbare leven te weren. In 1941 en 1942 werden in Amsterdam aparte markten voor Joden ingesteld en werd het hen verboden op andere markten te verschijnen.
De casus Baumstein illustreert de juridische complexiteit van nationaliteit tijdens de bezetting. Hongarije was op dat moment een bondgenoot van nazi-Duitsland. Om diplomatieke redenen en uit vrees voor represailles tegen Duitsers in het buitenland, werden Joden met de nationaliteit van neutrale landen of bondgenoten (zoals Hongarije, Turkije of Zwitserland) vaak (tijdelijk) gespaard van bepaalde discriminerende maatregelen die wel golden voor Nederlandse Joden. Deze "bevoorrechte" status was echter precair en vaak van korte duur; naarmate de oorlog vorderde en de druk vanuit Berlijn toenam, vervielen deze uitzonderingen meestal alsnog. R. Baumstein