Doorslag van een officiële brief (besluit).
Origineel
Doorslag van een officiële brief (besluit). 9 september 1942. De Burgemeester van Amsterdam (E.J. Voûte) namens de Gemeentesecretaris (J.F. Franken). De Secretaris van de Joodse Raad voor Amsterdam. Handgeschreven (rechtsboven): Marktw 31
Gestempeld (links): Nº 800 Litt 1942
Paars stempel (links): Nº 20/25/1 M. 1942 10/9
Adresing en datum:
Aan den heer Secretaris van den Joodschen Raad
Nieuwe Keizersgracht 58,
A L H I E R (C).
9 September 1942
Inhoud:
Naar aanleiding van het telefonisch verzoek, door U den 8sten September j.l. tot den waarnemend Administrateur van de Afdeeling Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen gericht, deel ik U mede, er geen bezwaar tegen te hebben, dat op 12 September (Joodsch Nieuwjaar) en op 21 September (Grooten Verzoendag) de vier Joodsche hulpmarkten niet gehouden worden en tevens de groenteverkoop in Joodsche winkels niet zal plaats hebben.
Ondertekening:
VM De Burgemeester van Amsterdam,
(get.) Voûte
de Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN
Administratieve aantekeningen (onderaan):
Stempel: GEZIEN DE INSPECTEUR,
Handtekening: delbauw
Handgeschreven (links):
monk v
Rens v
Burg (museumplein)
Handgeschreven (rechtsonder): 20 Dit document is een formele bevestiging van het Amsterdamse gemeentebestuur aan de Joodse Raad. De Joodse Raad had verzocht om de speciaal voor Joden ingestelde "hulpmarkten" en winkels te mogen sluiten tijdens de belangrijkste Joodse feestdagen in september 1942.
Opvallend is de bureaucratische precisie: de brief vermeldt expliciet de afdeling ("Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen") waarmee contact is geweest. De goedkeuring door Burgemeester Edward Voûte (een collaborateur) en de Gemeentesecretaris laat zien dat zelfs tijdens de intensieve vervolging en deportaties, de dagelijkse administratieve gang van zaken rondom de segregatie van de Joodse bevolking gewoon doorging. September 1942 was een diepzwarte periode in de geschiedenis van Joods Amsterdam. De grootschalige deportaties naar de vernietigingskampen via kamp Westerbork waren in volle gang (begonnen in juli 1942). Joden waren inmiddels volledig geïsoleerd van het openbare leven; zij mochten alleen nog kopen op de hier genoemde "Joodsche hulpmarkten" en in specifieke Joodse winkels.
Dit document illustreert de wrange paradox van die tijd: terwijl de Joodse gemeenschap systematisch werd uitgeroeid, hield de Amsterdamse bureaucratie zich nog bezig met het verlenen van toestemming voor het vieren van feestdagen (Rosh Hasjana en Jom Kippoer) en de bijbehorende marktsluitingen. Het feit dat de brief is gericht aan de Nieuwe Keizersgracht 58, de zetel van de Joodse Raad, benadrukt de rol van dit orgaan als schakel tussen de bezetter/overheid en de Joodse bevolking.