Officiële brief (doorslag/kopie).
Origineel
Officiële brief (doorslag/kopie). 17 september 1942. De Directeur (vermoedelijk van de Markthallen of de afdeling Marktwezen van de Gemeente Amsterdam). HB.
Verzonden 17/9 [handgeschreven]
20/26/1 W.
17 September 1942.
Hiermede bericht ik U, dat bij onderstand geen vrijstelling
van betaling van marktgeld kan worden verleend. De aan Uw echtgenoot
verleende marktplaats op de markt [witruimte] zal derhalve wor-
den ingetrokken, tenzij U persoonlijk van de plaats gebruik wenscht
te maken en mij daarvan onder opgave van het door U te verkoopen ar-
tikel ten spoedigste kennis geeft.
De Directeur,
Gezonden aan:
Mevrouw I.Bouwman, Krugerplein 36 I, Amsterdam-Oost.
Mevrouw R.Casseres-Pamper, Magerfonteinstraat 7, Amsterdam-Oost.
Mevrouw M.Goedel, P.Nieuwlandstraat 15 huis, Amsterdam-Oost.
Mevrouw J.Scholten, Swammerdamstraat 21 I, Amsterdam-Oost.
Mevrouw A.H.da Silva Rosa, 2e Oosterparkstraat 79 I,, Amsterdam-Oost Deze brief is een zakelijke mededeling aan een groep vrouwen wiens echtgenoten een marktplaatsvergunning hadden. De kernboodschap is tweeledig:
1. Ondanks het feit dat de geadresseerden "onderstand" (sociale uitkering/financiële steun) ontvangen, wordt een verzoek tot vrijstelling van marktgeld afgewezen.
2. De marktplaatsvergunningen die op naam van hun echtgenoten stonden, worden ingetrokken. De vrouwen krijgen echter de optie om de marktplaats zelf over te nemen, mits zij direct laten weten wat zij gaan verkopen.
De toon is strikt administratief en onverbiddelijk. Opvallend is dat er een open ruimte is gelaten na "op de markt", wat suggereert dat dit een standaardbrief was waarbij de specifieke marktnaam (waarschijnlijk de Joodse markt aan de Gaaspstraat) in de individuele originelen werd ingevuld. De datum, 17 september 1942, is cruciaal voor de historische duiding. Nederland was bezet door nazi-Duitsland en de Jodenvervolging was in volle gang. Sinds 1941 waren Joodse marktkooplieden verbannen van de reguliere markten en aangewezen op specifieke "Joodse markten" (zoals op het Waterlooplein en de Gaaspstraat).
De namen van de geadresseerden (zoals Casseres-Pamper en Da Silva Rosa) wijzen op een Sefardisch-Joodse achtergrond. De adressen bevinden zich allen in Amsterdam-Oost (Transvaalbuurt en omgeving), een wijk die door de bezetter was aangewezen als onderdeel van de Joodse wijken (Judenviertel).
In deze periode waren veel Joodse mannen reeds weggevoerd naar werkkampen of gedeporteerd naar concentratiekampen. Dit verklaart waarom de brief aan de echtgenotes is gericht en waarom de vergunningen van de mannen dreigen te vervallen. De weigering om vrijstelling van marktgeld te verlenen aan mensen in de bijstand ("onderstand") getuigt van de precaire economische situatie en de bureaucratische druk waaronder de Joodse bevolking in Amsterdam leefde tijdens de bezetting. De overheid eiste betaling, zelfs als de oorspronkelijke kostwinner niet meer aanwezig was. Gemeente Amsterdam Marktwezen