Handgeschreven brief met ambtelijke aantekeningen.
Origineel
Handgeschreven brief met ambtelijke aantekeningen. 20 oktober 1942. David de Laaij, wonende aan de Topaasstraat 22-II te Amsterdam. De Heer Directeur van het Marktwezen, Amsterdam. [Linksboven in paars stempel/inkt:]
Nº 20/31/1 M. 1942 21/10
[Rechtsboven:]
Amsterdam, 20 October 1942
23/10 '42 [paraaf]
Den Heer Directeur van het Marktwezen,
Alhier
[Rechtsboven in rood potlood:]
20/31/2
[Onder de adressering, met pen genoteerd en onderstreept:]
mi. afwijzen
Mijnheer,
Hiermede neem ik de vrijheid mij met het volgende verzoek tot U te wenden en wel op advies van de Joodse Raad.
Mijn naam is David de Laaij, geboren 7 Aug. 1882, wonende Topaasstr. 22 II - Z.
Ik ben meer dan 20 jaar venter in zuurwaren e.d. geweest en had als zodanig ook een vergunning.
Ook had ik enige jaren geleden een standplaats op de markt Haaplein.
Gaarne zou ik van U vernemen, of het voor mij mogelijk is een plaats op een der Joodse marktterreinen te krijgen, aangezien ik dan weer in mijn levensbehoeften zou kunnen voorzien.
U bij voorbaat dankend,
Hoogachtend,
D. de Laaij De brief is een formeel verzoek van David de Laaij, een 60-jarige Amsterdamse straatverkoper, om een standplaats op een van de speciaal aangewezen "Joodse marktterreinen". Hij voert aan dat hij meer dan twintig jaar ervaring heeft in de verkoop van "zuurwaren" (zoals augurken en uien), een typisch Amsterdams-Joodse handel.
Opvallend is de ambtelijke notitie "mi. afwijzen" (mijns inziens afwijzen). Dit getuigt van de harde bureaucratische realiteit van die tijd: ondanks zijn jarenlange ervaring en het feit dat hij het verzoek indient op advies van de Joodse Raad om in zijn eigen onderhoud te kunnen voorzien, lijkt de ambtenaar direct aan te sturen op een afwijzing. Het document toont de pogingen van Joodse burgers om binnen de steeds nauwer wordende mazen van de bezettingswetgeving legaal aan het werk te blijven. Dit document is gedateerd oktober 1942, een dieptepunt in de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland. In de loop van 1941 en 1942 werden Joodse ondernemers en marktkooplieden steeds verder geïsoleerd. Vanaf november 1941 mochten zij alleen nog handelen op speciaal door de bezetter aangewezen Joodse markten (zoals aan de Gaaspstraat, het Waterlooplein en de Joubertstraat).
De vermelding van de "Joodse Raad" is cruciaal; deze instantie fungeerde als noodgedwongen tussenpersoon tussen de Joodse gemeenschap en de Duitse autoriteiten. De Topaasstraat, waar de afzender woonde, ligt in de Diamantbuurt, een wijk die zwaar getroffen werd door de deportaties. De brief vormt een tastbaar bewijs van een individu dat via de officiële weg probeert te overleven, terwijl de ambtelijke molen hem reeds heeft afgeschreven. D. de Laaij Z. Marktwezen
Samenvatting
De brief is een formeel verzoek van David de Laaij, een 60-jarige Amsterdamse straatverkoper, om een standplaats op een van de speciaal aangewezen "Joodse marktterreinen". Hij voert aan dat hij meer dan twintig jaar ervaring heeft in de verkoop van "zuurwaren" (zoals augurken en uien), een typisch Amsterdams-Joodse handel.
Opvallend is de ambtelijke notitie "mi. afwijzen" (mijns inziens afwijzen). Dit getuigt van de harde bureaucratische realiteit van die tijd: ondanks zijn jarenlange ervaring en het feit dat hij het verzoek indient op advies van de Joodse Raad om in zijn eigen onderhoud te kunnen voorzien, lijkt de ambtenaar direct aan te sturen op een afwijzing. Het document toont de pogingen van Joodse burgers om binnen de steeds nauwer wordende mazen van de bezettingswetgeving legaal aan het werk te blijven.
Historische Context
Dit document is gedateerd oktober 1942, een dieptepunt in de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland. In de loop van 1941 en 1942 werden Joodse ondernemers en marktkooplieden steeds verder geïsoleerd. Vanaf november 1941 mochten zij alleen nog handelen op speciaal door de bezetter aangewezen Joodse markten (zoals aan de Gaaspstraat, het Waterlooplein en de Joubertstraat).
De vermelding van de "Joodse Raad" is cruciaal; deze instantie fungeerde als noodgedwongen tussenpersoon tussen de Joodse gemeenschap en de Duitse autoriteiten. De Topaasstraat, waar de afzender woonde, ligt in de Diamantbuurt, een wijk die zwaar getroffen werd door de deportaties. De brief vormt een tastbaar bewijs van een individu dat via de officiële weg probeert te overleven, terwijl de ambtelijke molen hem reeds heeft afgeschreven.