Getypte brief (doorslag).
Origineel
Getypte brief (doorslag). 18 juni 1942. De Directeur (vermoedelijk van de Marktdienst of een gerelateerde gemeentelijke afdeling). De Directeur van de Dienst der Publieke Werken, Amsterdam (gevestigd in het Raadhuis). [Handgeschreven rechtsboven:] M. Müller
[Handgeschreven middenboven:] Verzonden 19/6
[Getypt rechtsboven:] vD/HG.
den Heer Directeur van den
Dienst der Publieke Werken,
Raadhuis,
ALHIER.
Wijk 3.
25/12/2 M.
18 Juni 1942.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 6 Mei jl. No.Grb.1103/ Doss.D/1544 bericht ik U, dat mijnerzijds tegen den verkoop van perceel Albert Cuypstraat 88 geen bezwaar zou bestaan, wanneer mijn dienst van de bovenverdieping van het perceel gebruik mag blijven maken.
Het is namelijk zoo goed als uitgesloten om in de omgeving der markt Albert Cuypstraat de beschikking te krijgen over een kantoor. Wellicht is het echter mogelijk, dat Uw dienst een andere gelegenheid in de directe omgeving van de markt beschikbaar kan stellen.
De Directeur, Deze brief uit juni 1942 is een zakelijke correspondentie tussen twee gemeentelijke diensten in Amsterdam tijdens de Duitse bezetting. De kern van de brief is de voorgenomen verkoop van het pand Albert Cuypstraat 88.
De afzender (de directeur van de dienst die de markt beheert) stemt in principe in met de verkoop door de Dienst der Publieke Werken, maar stelt een belangrijke voorwaarde: zijn dienst moet de bovenverdieping als kantoor kunnen blijven gebruiken. De reden hiervoor is de extreme schaarste aan beschikbare kantoorruimte in de directe nabijheid van de Albert Cuypmarkt. De schrijver houdt de deur open voor een alternatief, mits Publieke Werken een andere ruimte in de buurt kan faciliteren.
De toon is formeel en bureaucratisch, typerend voor de gemeentelijke communicatie uit die periode. De handgeschreven aantekeningen wijzen op de administratieve verwerking; de brief is gedateerd op de 18e en de volgende dag verzonden. De datum en locatie van dit document zijn historisch zeer beladen. In juni 1942 was de Jodenvervolging in Amsterdam in een kritieke fase beland; de eerste grootschalige deportaties naar doorgangskamp Westerbork zouden de maand daarop beginnen.
Het pand Albert Cuypstraat 88 is in dit kader bijzonder relevant. Hier was de synagoge van de vereniging "Hulpe des Heeren" gevestigd (ook bekend als de Chevre-sjoel). Het pand was eigendom van de Nederlands-Israëlietische Hoofdsynagoge (NIHS). Tijdens de bezetting werden veel Joodse bezittingen en vastgoed geconfisqueerd of onder dwang verkocht door de Duitsers (de zogenaamde 'Arisering' van vastgoed), vaak via de Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV).
Hoewel de brief een louter administratieve discussie lijkt over kantoorruimte, vindt deze plaats tegen de achtergrond van het onteigenen van Joods bezit in een buurt (de Pijp) die destijds een grote Joodse populatie kende. De verkoop van dit specifieke perceel in 1942 is dan ook onlosmakelijk verbonden met de systematische beroving van de Joodse gemeenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog. Publieke Werken