Administratieve kaart/notitie (Modelbriefje Algemene Zaken).
Origineel
Administratieve kaart/notitie (Modelbriefje Algemene Zaken). 22 mei 1942 – 3 juni 1942. [Stempel linksboven]
BIJBLAD VAN:
M. No. 26/5/1 194 2.
DOORGEZONDEN: 22/5 '42
[In rood potlood:] 26/5/2
[Groot cursief schrift:] Modelbriefje Acc [?]
[Rechterzijde tekst]
D. Pietersma, voorkeurskaart
Dapperstraat m. 340, met
gerookte visch.
Heeft geen toewijzing braadvisch.
Th. Rens, voor advies,
ter besp.
[Handtekening/Paraaf] 27/5 '42
[Onderzijde tekst]
Tegen inwilliging van het verzoek
van D. Pietersma om zich tot wederop-
zegging op zijn plaats op de markt
Dapperstraat te mogen laten assis-
teren — niet vervangen — door zijn
zoon W. Pietersma, geb 21-10-'23, bestaat
m.i. geen bezwaar.
3-6-'42 de Keur
[Drukwerk linksonder]
Alg. Zaken-Model No. 14
14333-1000-7-'41-1727
[Rechtsboven handgeschreven]
500 * Administratieve procesgang: Het document toont een ambtelijke weg. Op 22 mei wordt het dossier geopend. Op 27 mei wordt er advies gevraagd. Op 3 juni valt de uiteindelijke beslissing.
* Inhoud: D. Pietersma heeft een vaste plek (nummer 340) op de Dappermarkt waar hij gerookte vis verkoopt. Hij heeft expliciet geen vergunning voor gebakken vis ("braadvisch"). Hij vraagt toestemming om geassisteerd te worden door zijn 18-jarige zoon, W. Pietersma.
* Nuance in besluitvorming: De ambtenaar ("de Keur") benadrukt dat het gaat om assisteren en niet om vervangen. Dit is een belangrijk juridisch onderscheid voor de geldigheid van de marktvergunning; de vergunninghouder moet in principe zelf aanwezig zijn.
* Taalgebruik: Typisch voor de periode, inclusief de oude spelling (visch) en formele ambtelijke formuleringen ("tot wederopzegging", "inwilliging van het verzoek"). Dit document stamt uit juni 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland. De Dappermarkt in Amsterdam was (en is) een van de belangrijkste markten van de stad. In deze periode was het marktwezen streng gereguleerd.
De timing is wrang: terwijl deze administratieve afhandeling voor een Nederlandse vishandelaar plaatsvond, werden in diezelfde periode (vanaf mei 1942) de maatregelen tegen Joodse Amsterdammers steeds strenger; zij mochten toen al niet meer op de reguliere markten staan en waren verbannen naar specifieke Joodse markten.
Het feit dat de zoon (W. Pietersma) op dat moment 18 jaar oud was, is ook relevant. In 1942 nam de druk van de Arbeidseinsatz (verplichte tewerkstelling in Duitsland) toe. Een officiële aanstelling als assistent op de markt kon mogelijk dienen als bewijs van nuttige werkzaamheden in de eigen woonplaats.