Archiefdocument
Origineel
16 juli 1942 Onbekend (ondergetekende) (Pagina 1)
Nº 26/9/1 M. 1942 27/7
Amsterdam 16 juli 1942
Wel Edel Heer
Inspecteur.
De ondergetekende komt tot U met een klacht omtrent de Marktmeester in de ochtend uren van het Dapperplein. Heden morgen stond ik ondergetekende op het Dapperplein in de fille voor versche aal, toen ik de beurd en geholpen was kwam de Marktmeester naar mij toe en zij tegen mij:
Als ik morgen ochtend weer kwam dan kon het wel gebeuren dat ik niets zou krijgen, om welken reden werd mij niet gezegd, vermoedelijk omdat het den tweede morgen was dat ik versche Aal kreeg. Nu vraag ik u in hoe verre de Marktmeester over de verkoop van Aal, welken voor het publiek ten verkoop worden aangeboden daar over kan beschikken.
(Pagina 2)
Indien iemand van af s’ morgens ruim vier uur in de fille staat, en tegen tien uur de Aal op de markt komt om hem dan de aangeboden Aal te laten koopen Aangezien ondergetekende een vrouw heeft welken op Dokters atest niet in de fille mag staan.
Ook heeft hij een gehuwde Dochter welken ook op Dokters atest niet mag staan in rijen waar lang gewacht moet worden of is de marktmeester in de verbeelding dat ik die Aal weer verkoopt aan anderen? dan is hij verkeerd. Aangezien ondergetekende de tijd heeft waarom zou hij dan niet zijn familie mogen helpen zoo lang er Aal is. Indien U daar over niet kan beschikken, zal ik de vrijheid nemen en met dezer klacht verder te wenden.
Zoo hoop ik ondergetekende een gunstig antwoord van u tegemoet zien.
26 De brief is een formeel bezwaarschrift van een burger tegen het eigenmachtige optreden van een marktmeester op het Dapperplein in Amsterdam. De kern van de klacht is dat de schrijver gedreigd is met uitsluiting van de aankoop van verse aal, omdat hij twee dagen achter elkaar in de rij stond.
Opvallende elementen in de tekst:
* Taalgebruik: De schrijver gebruikt het woord "fille" (van het Franse file) voor een wachtrij. Er staan diverse spelfouten in de tekst (zoals "beurd" i.p.v. beurt, "atest" i.p.v. attest, "zij" i.p.v. zei), wat duidt op een schrijver uit de arbeidersklasse die zich formeel probeert uit te drukken.
* Gezondheid: De schrijver rechtvaardigt zijn dagelijkse gang naar de markt door te wijzen op de zwakke gezondheid van zijn vrouw en dochter, die op doktersadvies niet lang mogen staan.
* Autoriteit: De schrijver stelt de bevoegdheid van de marktmeester ter discussie ("in hoeverre de Marktmeester... daar over kan beschikken"). Er is een duidelijke vrees voor de beschuldiging van wederverkoop (zwarte handel). Het document dateert van juli 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland. Dit was een periode van toenemende schaarste en distributiemaatregelen.
1. Voedselschaarste: Verse vis, zoals de genoemde aal (paling), was een welkome aanvulling op het karige rantsoen, maar de aanvoer was onregelmatig. Dit verklaart waarom mensen al vanaf 4:00 uur 's ochtends in de rij gingen staan voor een verkoop die pas om 10:00 uur begon.
2. Toezicht: Marktmeesters hadden in oorlogstijd een cruciale en soms corrupte rol in het handhaven van de orde en het voorkomen van hamsteren of doorverkoop op de zwarte markt.
3. Dapperplein: De Dapperbuurt was (en is) een volksbuurt in Amsterdam-Oost. Tijdens de bezetting was de markt daar een vitale plek voor de voedselvoorziening, maar ook een plek van spanningen tussen burgers en ambtenaren.