De brief is een persoonlijk verzoek van J.W. Groenendijk voor een vaste standplaats op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam. De kern van het schrijven is een rechtvaardiging van zijn eerdere weigering: vijf weken daarvoor had hij een aanbod afgeslagen omdat hij toen net uit de "werkverschaffing" kwam. Hij had op dat moment nog geen krediet of handelsrelaties met groothandelaren ("grossiers"), waardoor het financieel te riskant was om een vaste plek te bekostigen. Na zes weken als losse marktkoopman ("geloopen") te hebben gewerkt, heeft hij nu wel drie leveranciers gevonden (Keizer, Spiering en Van Woerd) die hem goederen willen leveren. Hiermee probeert hij aan te tonen dat hij nu wel solvabel genoeg is voor een vaste plek. De taal is eenvoudig en de spelling deels fonetisch (bijv. "dese", "kunt", "Govertflinstraat"), wat duidt op een schrijver uit de arbeidersklasse.
De brief biedt een inkijkje in de Amsterdamse markthandel tijdens de economische crisis van de jaren 1930. De "werkverschaffing" was een overheidssysteem waarbij werklozen gedwongen werden tot zware fysieke arbeid in ruil voor een uitkering. Veel mannen probeerden aan dit systeem te ontsnappen door een eigen handel op de markt te beginnen. De Albert Cuypmarkt was (en is) het commerciële hart van de Pijp. Dat de schrijver in de Govert Flinckstraat woonde, de straat direct achter de markt, onderstreept dat de markt een cruciale bron van inkomsten was voor de directe buurtbewoners. Een "vaste plaats" was essentieel voor stabiliteit, aangezien losse kooplieden elke dag moesten hopen op een vrijgekomen plek.