Officiële waarschuwingsbrief / sommatie.
Origineel
Officiële waarschuwingsbrief / sommatie. 21 augustus 1942. [Briefhoofd links]
MARKTWEZEN
AMSTERDAM
TELEFOONNUMMER 85151
No. ———
BIJLAGE ———
ONDERWERP: ———
[Handgeschreven aantekeningen linksboven]
In R.W.K.
courant Hoogeveen
Handteekening bij
informeren
binnenkort
vroegen t/m 1/9 ’42
[Briefhoofd rechts]
WM.
AMSTERDAM (W.) 21 Augustus 1942
JAN VAN GALENSTRAAT 14
[Adresseringsblok]
AAN
den Heer J. Krammer
St Ant. Breestraat 40 II
AMSTERDAM
WIJK 2
[Inhoud brief]
Aangezien U gedurende langer dan drie weken in gebreke is gebleven, om het marktgeld, verschuldigd voor Uw plaats op de markt Waterlooplein te betalen, waarschuw ik U hierbij, dat U alsnog vóór 22 Augustus a.s. aan Uw verplichting moet voldoen.
Ik wijs U er met nadruk op, dat, indien U langer in gebreke blijft, de U verleende vaste plaats, ingevolge artikel 11 van het Reglement op de Markten, met ingang van 24 Augustus a.s. onherroepelijk wordt ingetrokken.
Indien een geldige reden U verhindert, om aan Uw verplichtingen te voldoen (bijvoorbeeld omdat U steun geniet; in een ziekenhuis wordt verpleegd, enz.) dient U onmiddellijk mijn dienst hiervan in kennis te stellen, omdat dan kan worden voorkomen, dat de intrekking plaatsvindt.
[Ondertekening]
De Directeur,
[Handtekening: Dr. A.Th. van der Goot(?)]
[Stempel/Paraaf]
[Handgeschreven aantekening linksonder]
Indien mw K. bewijs-
gegevens kan krijgen
komt zij 8-9-42.
Zoo niet dan intrekken.
[Paraaf] Het document is een dwingende sommatie van het Amsterdamse Marktwezen aan een markthandelaar, de heer J. Krammer. De kern van de brief is de constatering dat Krammer al meer dan drie weken geen marktgeld heeft betaald voor zijn vaste staanplaats op het Waterlooplein. Hem wordt een ultimatum gesteld: betalen vóór 22 augustus 1942, anders wordt zijn vergunning op 24 augustus onherroepelijk ingetrokken.
Opvallend is de administratieve afhandeling in de kantlijn:
* Linksboven: De verwijzing naar "Hoogeveen" en "R.W.K." (mogelijk Rijks-Werk-Kamp) is cruciaal. Veel Joodse mannen werden in deze periode naar werkkampen gestuurd, wat een directe verklaring zou kunnen zijn voor de afwezigheid van de heer Krammer op de markt en zijn betalingsachterstand.
* Linksonder: Hieruit blijkt dat de echtgenote ("mw K.") nog een poging doet de vergunning te redden door met bewijsstukken te komen op 8 september 1942. De ambtenaar noteert echter koud: "Zoo niet dan intrekken."
De toon van de brief is strikt bureaucratisch en onverbiddelijk, kenmerkend voor de wijze waarop de gemeentelijke diensten ook onder de bezetting bleven functioneren, zelfs wanneer de omstandigheden van de burgers (deportatie, dwangarbeid) overduidelijk precair waren. Dit document stamt uit augustus 1942, een gitzwarte periode in de geschiedenis van Amsterdam. Sinds juli 1942 waren de grootschalige deportaties van Joden naar kamp Westerbork begonnen.
Het adres van de heer Krammer (Sint Antoniesbreestraat) lag in het hart van de Jodenbuurt. De markt op het Waterlooplein was in september 1941 door de bezetter aangewezen als een van de weurige plekken waar Joden nog mochten handelen (een zgn. Joodse markt).
De vermelding van "Hoogeveen" in de kantlijn is historisch zeer significant. In de buurt van Hoogeveen lagen werkkampen (zoals Kamp Kremboong en Mantinge) waar Joodse mannen uit Amsterdam werden tewerkgesteld voordat zij definitief werden weggevoerd. De afwezigheid van de heer Krammer was dus zeer waarschijnlijk geen onwil, maar het gevolg van de nationaalsocialistische vervolging. De brief illustreert hoe de bureaucratie van het Marktwezen simpelweg doorging met het handhaven van regeltjes, terwijl de houders van de standplaatsen letterlijk uit het stadsbeeld verdwenen.