Archiefdocument
Origineel
No.39/23/1 M.1942 24/2 AFSCHRIFT.
No.5/52 L.M.1942 10/2
Aan den Weledelen Heer Burgemeester.
Weledelen Heer,
Daar ik een staanplaats heeft en ik op het ogenblik niet mag inneemen en daar ik pas 12 gulden betaald heeft nu laat ik het geheel aan u over wat ik er mee aan moet.
Zoo blijf ik U zeer dankbaar.
w.g. Willem Groen,
Vrolikstraat 66 III
Amsterdam. In deze korte brief richt Willem Groen zich tot de burgemeester van Amsterdam. De kern van zijn probleem is financieel en beroepsmatig: hij heeft 12 gulden betaald voor een 'staanplaats' (waarschijnlijk een marktplaats of een standplaats voor een straathandel), maar hij mag deze op dat moment niet innemen. Hij vraagt de burgemeester om raad of een oplossing, aangezien hij het betaalde geld niet zomaar verloren wil laten gaan. De toon van de brief is formeel en beleefd, wat gebruikelijk was voor correspondentie met de overheid in die tijd. Dit document stamt uit februari 1942, midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De context van deze brief is tragisch en veelzeggend. Willem Groen (geboren op 15 mei 1891) was een Joodse Amsterdammer die als straatverkoper werkte. De Vrolikstraat, waar hij woonde, lag in een buurt met een grote Joodse populatie.
Sinds de bezetting werden er steeds meer anti-Joodse maatregelen ingevoerd. Vanaf 1941 werden Joden stelselmatig uit het economische leven geweerd. Een specifieke maatregel was het verbod voor Joden om op openbare markten te staan of hun beroep als straatventer uit te oefenen, behalve op aangewezen 'Jodenmarkten'. De frustratie van Willem Groen over het feit dat hij wel betaald heeft maar zijn plaats niet mag innemen, is een direct gevolg van deze discriminerende wetgeving.
Uit archiefstukken (zoals die van het Joods Monument) blijkt dat Willem Groen later gedeporteerd is. Hij werd op 23 juli 1943 vermoord in vernietigingskamp Sobibor. Deze korte, zakelijke brief aan de burgemeester is een pijnlijk bewijs van hoe de bureaucratie van de bezetter en het meewerkende stadsbestuur het dagelijks leven en de bestaansmiddelen van Joodse burgers stap voor stap onmogelijk maakten.
Samenvatting
In deze korte brief richt Willem Groen zich tot de burgemeester van Amsterdam. De kern van zijn probleem is financieel en beroepsmatig: hij heeft 12 gulden betaald voor een 'staanplaats' (waarschijnlijk een marktplaats of een standplaats voor een straathandel), maar hij mag deze op dat moment niet innemen. Hij vraagt de burgemeester om raad of een oplossing, aangezien hij het betaalde geld niet zomaar verloren wil laten gaan. De toon van de brief is formeel en beleefd, wat gebruikelijk was voor correspondentie met de overheid in die tijd.
Historische Context
Dit document stamt uit februari 1942, midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De context van deze brief is tragisch en veelzeggend. Willem Groen (geboren op 15 mei 1891) was een Joodse Amsterdammer die als straatverkoper werkte. De Vrolikstraat, waar hij woonde, lag in een buurt met een grote Joodse populatie.
Sinds de bezetting werden er steeds meer anti-Joodse maatregelen ingevoerd. Vanaf 1941 werden Joden stelselmatig uit het economische leven geweerd. Een specifieke maatregel was het verbod voor Joden om op openbare markten te staan of hun beroep als straatventer uit te oefenen, behalve op aangewezen 'Jodenmarkten'. De frustratie van Willem Groen over het feit dat hij wel betaald heeft maar zijn plaats niet mag innemen, is een direct gevolg van deze discriminerende wetgeving.
Uit archiefstukken (zoals die van het Joods Monument) blijkt dat Willem Groen later gedeporteerd is. Hij werd op 23 juli 1943 vermoord in vernietigingskamp Sobibor. Deze korte, zakelijke brief aan de burgemeester is een pijnlijk bewijs van hoe de bureaucratie van de bezetter en het meewerkende stadsbestuur het dagelijks leven en de bestaansmiddelen van Joodse burgers stap voor stap onmogelijk maakten.