Archiefdocument
Origineel
19 januari 1942 (verzonden op 20/1) De Directeur (vermoedelijk van de Gemeentelijke Visafslag Amsterdam) Den Heer Directeur der Nederlandsche Visscherijcentrale, Juliana van Stolbergplein 3/4, 's-Gravenhage. VD/HG.
46A/4/2 M.
[Handgeschreven: Verzonden 20/1] [Handgeschreven: Inspecteur]
19 Januari 1942.
Verdeelvisch.
den Heer Directeur der Nederlandsche Visscherijcentrale,
Juliana van Stolbergplein 3/4,
's-Gravenhage.
Hiermede heb ik de eer te Uwer kennis te brengen, dat Gebr. Sterk te Lemmer den laatsten tijd vrijwel uitsluitend kleine en slechte visch aan den Gemeentelijken afslag, bestemd voor de verdeeling, inzenden. Een en ander is U eenige dagen geleden reeds telefonisch medegedeeld. (Zoojuist wordt mij telefonisch meegedeeld, dat Johan Sterk hedenmorgen weder 1.300 pond kleine voorn en blei heeft ingezonden.)
Verder breng ik onder Uw aandacht, dat bovengenoemde Gebr. Sterk op 8 Januari jl. voor de verdeeling op den Gemeentelijken afslag per Lemmerboot hebben aangevoerd 3 manden met visch, terwijl met dezelfde boot door Gebr. Sterk werden aangevoerd 7 manden visch bestemd voor één grossier, namelijk Jansen!
Ik maak van deze gelegenheid gebruik opnieuw onder Uw aandacht te brengen, dat de aanvoeren van visch voor de verdeeling te Amsterdam de laatste dagen nog meer zijn teruggeloopen, zoodat deze als regel niet meer bedragen, dan ± 2.000 pond per dag. Om aan de door U gegarandeerde hoeveelheid visch van minstens 30.000 pond per week te komen, moet gemiddeld per dag minstens 6.000 pond worden aangevoerd!
Ten slotte deel ik U mede, dat de laatste weken vrijwel geen verdeelvisch meer wordt aangevoerd, bestemd voor de Volendammer vischventers. Hierover wordt echter door deze venters bij mijn dienst niet geklaagd en het is bekend, dat zij toch vrijwel dagelijks in het bezit komen van snoekbaars, zoodat zij deze blijkbaar op andere wijze bekomen.
De Directeur, Deze brief legt een officieel conflict bloot tussen de gemeentelijke instanties in Amsterdam en de vishandelaren uit Lemmer (in het bijzonder de Gebr. Sterk) tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kernpunten zijn:
- Kwaliteitsproblemen: De Gebr. Sterk worden ervan beschuldigd enkel kleine en kwalitatief slechte vis ("voorn en blei") te leveren voor de officiële distributie.
- Ongelijke verdeling: De schrijver constateert een oneerlijke verhouding in de aanvoer. Op 8 januari werd er meer vis geleverd aan een private grossier (7 manden aan Jansen) dan aan de officiële distributie voor het volk (3 manden).
- Tekorten: De visaanvoer in Amsterdam is dramatisch laag. Met 2.000 pond per dag wordt slechts een derde van de afgesproken 6.000 pond per dag (30.000 pond per week) gehaald.
- Zwarte handel: De afzender suggereert op subtiele wijze dat er sprake is van illegale handel (de 'zwarte markt'). Het feit dat Volendamse visventers niet klagen over het gebrek aan officiële "verdeelvisch" en toch dagelijks over hoogwaardige snoekbaars beschikken, duidt op alternatieve, niet-officiële kanalen. Het document dateert uit januari 1942, een periode waarin de Duitse bezetting van Nederland gepaard ging met groeiende schaarste en een streng distributiesysteem. De Nederlandsche Visscherijcentrale (NVC) was het orgaan dat door de bezetter was ingesteld om toezicht te houden op de gehele vissector.
Lemmer was destijds een cruciale haven voor de IJsselmeervisserij. De firma Gebr. Sterk was een prominente speler in deze regio. De brief illustreert de constante strijd van de overheid tegen de "zwarte handel" en de pogingen om de voedselvoorziening in de grote steden zoals Amsterdam op peil te houden, terwijl producenten en handelaren vaak trachtten de beste waar buiten de officiële (en vaak laag geprijsde) distributie om te verkopen.