Ambtelijk dossierblad / memo (Alg. Zaken-Model No. 14).
Origineel
Ambtelijk dossierblad / memo (Alg. Zaken-Model No. 14). Linkerbovenzijde (stempel en omgeving):
BIJBLAD VAN:
M. No. 66/10/1 194 2
DOORGEZONDEN: 30/4-'42
11/5/42 948
[In rood potlood:] 66/20/211
Linkerzijde (midden):
[In rood potlood:] Agstebble oproepen bij Th Sieburgh!
jaarplaats 1942
Kat. 23 f 500=
schuld t/m april f 20.-
Rechterzijde (bovenaan):
Jaarplaats ?
geeft geen motief op -
v.v.m. huidige situatie voorstel
tot ontheffing (onder jaarplaats)
Rechterzijde (midden):
Voorstel maken tot ontheffing
van een bedrag van f 333.33
(8/12 van f 500
jaarplaats Kat)
op gronden van billijkheid art. 10
(v.w. de gedwongen liquidatie?)
in dit bijzondere geval zonder bijbetaling
van verschil maand - jaarplaats
Onderzijde:
Th Phoene informeren?
[Berekening:] 2/3 x 500 | 333.33
Heeft d. Treuhand [stempel: 9 MRT 1942] in bezit
... opgezegd? Dit document betreft een administratieve afhandeling van een verzoek tot ontheffing van betaling voor een zogenaamde 'jaarplaats' (waarschijnlijk een markt- of standplaats in de categorie 'Kat. 23').
De kernpunten zijn:
1. Financiële afwikkeling: Er wordt een voorstel gedaan om f 333,33 kwijt te schelden. Dit bedrag is berekend als 8/12 deel van het jaarbedrag van f 500,-, wat suggereert dat de standplaats gedurende 8 maanden van het jaar niet gebruikt kon worden.
2. Juridische grondslag: Men beroept zich op de "gronden van billijkheid art. 10".
3. Reden van stopzetting: Er wordt expliciet gevraagd of er sprake is van een "gedwongen liquidatie". Dit wijst op een onvrijwillige beëindiging van de bedrijfsactiviteiten.
4. Betrokken instanties: Er wordt verwezen naar de "Treuhand" en een zekere "Th. Sieburgh". De naam "Th Phoene" wordt genoemd als te informeren persoon. Het document dateert uit het voorjaar van 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De termen "gedwongen liquidatie" en de verwijzing naar de "Treuhand" (waarschijnlijk de Wirtschaftsprüfstelle of de Omnia-Treuhandgesellschaft) zijn cruciaal.
In deze periode werden Joodse bedrijven door de bezetter onder het beheer van een 'Verwalter' gesteld of gedwongen geliquideerd. Dit document lijkt de gemeentelijke afwikkeling te tonen van de staangeld-verplichtingen van een dergelijke onderneming die door de anti-Joodse maatregelen niet meer kon voortbestaan. De ambtenaren proberen hier via een "billijkheidsregeling" de financiële lasten voor de gedupeerde of de boedel te verminderen, terwijl ze de status van de opzegging bij de Duitse instanties verifiëren. M. No Omnia Publieke Werken