Ambtelijke brief/correspondentie.
Origineel
Ambtelijke brief/correspondentie. 10 juni 1942. De Directeur (vermoedelijk van de Centrale Markt in Amsterdam). [Handgeschreven:] le Ridder
[Handgeschreven:] Verzonden 11/6
[Getypt:] vD/HB.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
97/3/1 M. 10 Juni 1942.
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat sedert 1 Septem-
ber 1939, een 29-tal sigarenmakers, waarvan 23 Joden en 6 niet-Joden,
die voordien op de Marinewerf hun werkplaatsen hadden, op verzoek van
het Rijk in een 2-tal lokalen in de Hal op de Centrale Markt zijn
ondergebracht; de Gemeetee heeft aan deze verplaatsing destijds haar
medewerking verleend, omdat deze personen, die onder contrôle van het
Rijk werken, in verband met den tabaksaccijns, anders ten laste zou-
den zijn gekomen van het Bureau voor Sociale Zaken.
Zooals U bekend is, moeten in opdracht van de Duitsche auto-
riteiten een dezer dagen de Joodsche handelaren in aardappelen, groen
ten en fruit van de Centrale Markt verdwijnen. Nu rijst de vraag, of
ook aan bovenbedoelde sigarenmakers, die overigens met den handel op
de Centrale Markt geen enkele bemoeiing hebben, den toegang tot het
terrein moet worden ontzegd. Ik moge U beleefd in overweging geven
een onderzoek te doen instellen.
De Directeur, * Kern van de zaak: De directeur van de Centrale Markt vraagt om een besluit betreffende 23 Joodse sigarenmakers die in de gebouwen van de markt werken. Hoewel zij geen deel uitmaken van de handel op de markt zelf, vraagt de directeur zich af of zij ook onder de nieuwe Duitse verordening vallen die Joden de toegang tot de markt ontzegt.
* Opmerkelijke details:
* Typfout: In de tekst staat "Gemeetee" waar "Gemeente" bedoeld wordt.
* Achtergrond van de groep: De sigarenmakers werkten oorspronkelijk op de Marinewerf maar werden in 1939 (vóór de bezetting) verplaatst naar de markt om te voorkomen dat zij werkloos zouden worden en een beroep op de sociale bijstand zouden moeten doen.
* Toon: De toon is strikt zakelijk en ambtelijk. De directeur voert de Duitse bevelen uit ("moeten in opdracht van de Duitsche autoriteiten... verdwijnen"), maar lijkt door de vraagstelling een opening te zoeken om deze specifieke groep sigarenmakers te ontzien, omdat zij "geen enkele bemoeiing" hebben met de marktactiviteiten. Dit document stamt uit juni 1942, een kantelpunt in de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland. In deze periode werden de anti-Joodse maatregelen van de Duitse bezetter steeds dwingender en werd de bewegingsvrijheid van Joden in het openbare en economische leven nagenoeg volledig ingeperkt.
De Centrale Markthallen in Amsterdam-West waren het logistieke centrum voor de voedselvoorziening. Veel Joodse Amsterdammers waren van oudsher werkzaam in de handel in groenten, fruit en textiel, of in ambachten zoals de sigarenmakerij. Het bevel om Joodse handelaren van de markt te verwijderen was een directe stap in het proces van 'arisering' (het onteigenen van Joodse bezittingen en bedrijven). Kort na de datum van deze brief, in juli 1942, begonnen de grootschalige deportaties vanuit Amsterdam naar de concentratie- en vernietigingskampen. Dit document illustreert hoe de ambtelijke molen meewerkte aan de uitvoering van discriminerende maatregelen door de bureaucratische details van de uitsluiting uit te werken.