Brief (Pagina 2 van een officieel schrijven).
Origineel
Brief (Pagina 2 van een officieel schrijven). 4 maart 1942. De Directeur van het Marktwezen. Bladzijde 2 van brief No. 99/1/2 M. d.d. 4 Maart 1942 aan den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen van den Directeur van het Marktwezen.
Voor de service der Centrale Markt acht ik het ongetwijfeld van belang, dat de onderhavige installatie zoo lang mogelijk in bedrijf blijft.
Wat tenslotte de kwijtschelding van de vergoeding voor monopolierecht voor het tweede halfjaar 1941 betreft, moge ik erop wijzen, dat wel is waar het verliessaldo over het eerste halfjaar van 1941 mede wordt veroorzaakt door den aard der lasten (zie hierboven en meegenoemde Nota van den Accountant), doch dat daartegenover de tijdsomstandigheden een normale ontwikkeling van dit benzinepompbedrijf wel zeer sterk in den weg staan, waardoor aan de verwachtingen van de N.V. Service, buiten haar schuld, slechts in zeer geringe mate, en vermoedelijk in het geheel niet, is tegemoetgekomen. Voorts mag mijns inziens niet uit het oog worden verloren, dat aan de N.V. over het tweede halfjaar van 1940 destijds eveneens door Burgemeester en Wethouders kwijtschelding van de betaling van monopolierecht is verleend, terwijl toen de omstandigheden zeker niet ongunstiger waren, dan die voor het tweede halfjaar van 1941.
Op grond van het bovenstaande moge ik U beleefd in overweging geven te bevorderen, dat het monopolierecht over het jaar 1941 door den Burgemeester in totaal wordt gesteld op f 200,- (welk bedrag door de N.V. Service reeds is betaald) onder voorwaarde, dat de vergoeding aan Commissarissen niet wordt getoucheerd, dan met toestemming van de Gemeente.
De Directeur, In dit document adviseert de Directeur van het Marktwezen de Wethouder voor de Levensmiddelen over een financiële kwestie betreffende de "N.V. Service". Dit bedrijf exploiteerde een benzinepompinstallatie bij de Centrale Markt. Vanwege tegenvallende resultaten over het jaar 1941 wordt er gepleit voor een matiging van de afdracht voor het zogenaamde "monopolierecht".
De kernpunten in het betoog zijn:
1. Continuïteit: Het behoud van de installatie is van belang voor de dienstverlening op de Centrale Markt.
2. Overmacht: De exploitant kampt met verliezen die niet aan eigen falen te wijten zijn, maar aan de "tijdsomstandigheden".
3. Precedent: Er wordt verwezen naar een eerdere kwijtschelding over het jaar 1940, waarbij de situatie destijds volgens de directeur zelfs minder nijpend was dan in 1941.
4. Voorstel: De directeur stelt voor om de totale vergoeding voor 1941 te maximeren op 200 gulden (het reeds betaalde bedrag), op voorwaarde dat de winstuitkeringen of vergoedingen aan de commissarissen van de N.V. niet verhoogd worden zonder gemeentelijke toestemming. Het document dateert van maart 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De term "tijdsomstandigheden" is een eufemisme voor de oorlogssituatie. De schaarste aan brandstof en de strikte distributie hiervan zorgden ervoor dat private benzinepompbedrijven nauwelijks omzet konden draaien.
De Centrale Markt (waarschijnlijk de Marktcentrale in Amsterdam-West) was een cruciaal punt voor de voedselvoorziening in de stad. Dat de Directeur van het Marktwezen communiceert met de Wethouder voor de Levensmiddelen onderstreept de nauwe verwevenheid tussen logistiek, brandstofvoorziening en de distributie van schaarse goederen in oorlogstijd. De vrees voor het verdwijnen van de service-installatie duidt op de precaire staat van de stedelijke infrastructuur in 1942.