Ambtsbrief (doorslag/kopie).
Origineel
Ambtsbrief (doorslag/kopie). 2 juni 1942. Vermoedelijk de Gemeente Amsterdam (gezien de genoemde locaties). [Links boven, stempel:]
Nº 101/6/1 M.1942 6/6
[Rechts boven, handgeschreven:]
Markth 607
Aan het Rijksbureau voor Oude Materialen en Afvalstoffen,
Paleisstraat 7,
's-G R A V E N H A G E_
L.M. 490
-1942- [Handgeschreven parafen en aantekeningen: m. w. dit dexp] 2 Juni 1942.
In antwoord op Uw schrijven d.d. 26 Mei j.l., No.27476 betreffende Joodsche lompenventers, deel ik U mede, dat alhier geen ghetto-vorming heeft plaats gevonden, zoodat specifiek Joodsche wijken, waarnaar U vraagt, in dien zin, zooals die in buitenlandsche steden bestaan, alhier niet voorkomen. Wel zijn door de Duitsche autoriteiten eenige straten met gele borden voorzien, waarop het woord "Juden-viertel" voorkomt. Deze straten zijn in de omgeving van de Jodenbreestraat, het Waterlooplein en de Weesperstraat, buurten waarin een arme of vrij arme bevolking woont. Daarnaast echter zijn er stadsgedeelten (in het Z.O.gedeelte der stad), in welke ook een belangrijk percentage Joden wonen, in sommige zelfs is dat percentage hooger dan in sommige straten van het "Judenviertel". Het percentage loopt (boven de 20%) van 20.1% tot 72.8%.
Gaarne zal ik van U vernemen (zoo noodig na overleg met den door U genoemden Duitschen Referent) of voor de Joodsche lompenhandelaren het eerstgenoemde "Judenviertel" of de laatstbedoelde wijken boven een bepaald percentage moet worden aangewezen. Ik merk hierbij wel op - en verwijs U daarbij naar de argumentatie in mijn schrijven d.d.
[Rechts onder:] /o/ Dit document betreft de administratieve afhandeling van de bewegingsvrijheid van Joodse lompenventers in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kern van het schrijven is een verzoek om opheldering over wat precies als "Joodse wijk" moet worden beschouwd.
De schrijver merkt op dat er in Amsterdam geen officieel 'ghetto' is in de zin van een afgesloten wijk (zoals in Oost-Europa), maar dat de Duitse bezetter wel borden met "Judenviertel" heeft geplaatst rond de Jodenbreestraat en het Waterlooplein. De schrijver wijst er echter op dat er in andere delen van de stad (met name in Amsterdam-Zuid/Oost, de Rivierenbuurt) straten zijn met een veel hoger percentage Joodse inwoners dan in de door de Duitsers aangewezen "Joodse wijk". Het document toont de bureaucratische precisie waarmee de segregatie van de Joodse bevolking werd besproken en vastgelegd. In juni 1942 was de uitsluiting van Joden in Nederland in een vergevorderd stadium. Sinds mei 1942 was het dragen van de Jodenster verplicht. De bezetter probeerde de Joodse bevolking te concentreren en hun economische activiteiten aan banden te leggen.
Lompenventers (opkopers van oude materialen) vormden traditioneel een beroepsgroep waarin veel Amsterdamse Joden werkzaam waren. Omdat zij zich voor hun werk door de stad moesten verplaatsen, botste dit met de toenemende beperkingen op de bewegingsvrijheid. Het "Rijksbureau voor Oude Materialen en Afvalstoffen" was een crisisinstelling die toezag op de recycling van schaarse grondstoffen voor de oorlogseconomie. Dit document illustreert hoe de Nederlandse bureaucratie meewerkte aan het uitvoeren van discriminerende maatregelen door overleg te voeren met "Duitse Referenten" over de grenzen van de segregatie. De genoemde percentages (tot 72.8%) tonen aan dat de gemeente zeer gedetailleerde statistieken bijhield van de Joodse bevolking per straat. Gemeente Amsterdam Rijksbureau