Handgeschreven brief (officiële kennisgeving).
Origineel
Handgeschreven brief (officiële kennisgeving). J. Hartog. De directeur van het Marktwezen, Amsterdam. [Stempel linksboven:]
No 103/4/1 M. 1942 8/1
[Rechtsboven:]
Amsterdam 5 Jan. 1941
Aan den directeur v. h.
Marktwezen.
Mijnheer
[Potloodnotitie, onduidelijk: mogelijk "mutatie"]
Langs dezen weg deelt onder-
geteekende U mee, dat hij geen
gebruik meer wenscht te maken
van de hem toegewezen plaats
op de markt in de Gaaspstraat.
Hoogachtend
[Signatuur: J Hartog]
J. Hartog
Lepelstraat 16 I
Amsterdam /c/ Het document is een korte, zakelijke brief waarin J. Hartog formeel afstand doet van een toegewezen marktplaats. De toon is beleefd en afstandelijk ("ondergeteekende", "Mijnheer", "Hoogachtend"). De brief is geschreven op gelinieerd papier met zwarte inkt.
Opvallend is de datering "1941". Gezien de officiële stempel van de Dienst van het Marktwezen die "1942" vermeldt, is het zeer aannemelijk dat de schrijver zich aan het begin van het nieuwe jaar heeft vergist in het jaartal—een veelvoorkomende fout in de eerste week van januari.
De administratieve stempel bovenin geeft aan dat het verzoek officieel is geregistreerd onder nummer 103/4/1 in de 'M'-serie (waarschijnlijk staande voor Marktwezen) van het jaar 1942. Dit ogenschijnlijk eenvoudige briefje krijgt een zware lading wanneer men kijkt naar de datum en de genoemde locatie. De brief is geschreven tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog.
- De Gaaspstraat-markt: In juli 1941 stelden de Duitse bezetters specifieke "Joodse markten" in Amsterdam in. Joden mochten niet meer op reguliere markten komen of handelen, en niet-Joden mochten niet op de Joodse markten komen. De markt in de Gaaspstraat (vlakbij het Weesperplein) was een van deze speciaal aangewezen Joodse markten.
- De afzender: De achternaam "Hartog" en het adres "Lepelstraat" (gelegen in de oude Joodse buurt bij het Waterlooplein) wijzen erop dat de afzender van Joodse afkomst was.
- De betekenis van de opzegging: In januari 1942 werd de druk op de Joodse bevolking in Amsterdam steeds groter. Het opgeven van een marktplaats was zelden een vrijwillige keuze uit luxe, maar vaak het resultaat van economische verstikking (door de vele anti-Joodse maatregelen), ziekte, of de noodzaak om onder te duiken of de voorbereiding op deportatie. Op het moment dat deze brief werd geschreven, waren de eerste oproepen voor de zogenaamde "werkverruiming" (deportatie naar werkkampen) al een realiteit.
Dit document vormt dus een klein maar tragisch puzzelstukje in de administratieve vastlegging van de uitsluiting en uiteindelijke verdwijning van Joodse ondernemers uit het Amsterdamse straatbeeld.