Administratief bijblad betreffende een marktkoopman.
Origineel
Administratief bijblad betreffende een marktkoopman. [Linksboven in kader]
BIJBLAD VAN:
M. No. 103/34/1, 1942
DOORGEZONDEN: 13/4 - '42.
[Rechtsboven]
311
[Hoofdtekst]
M. Speyer, pl. 191 Gaaspstraat
11 Januari ’42 wegens bedanken afgevoerd.
ƒ 2.40 schuld
(25/2 ’42 betaald)
[Rechtsmidden, diagonaal en verticaal geschreven]
Opgeroepen!
15-4-’42
de Haar
[Rechts onder de schuine tekst]
p 20/4 ’42 9 ½ - 11 uur
[Midden, onderstreept]
Opbergen
Aan M. Speyer, die geregeld
losse plaats inneemt en staat ingeschre-
ven op roll. lijst, medegedeeld dat
hij zijn beurt voor een vaste plaats
op markt Gaaspstraat moet afwach-
ten. Heeft geen ^marktgeld^ schuld.
[Rechtsonder]
20-4-’42
de Haar
[Middenonder]
vpb 25/4 ’42
[Voetnoot linksonder]
Alg. Zaken Model No. 14
10.000-10-1937-1016 Dit document is een administratieve notitie van de gemeente Amsterdam (waarschijnlijk de afdeling Marktwezen). Het betreft de status van de heer M. Speyer als marktkoopman op de markt in de Gaaspstraat.
Uit de aantekeningen blijkt een chronologisch verloop:
1. Januari 1942: Speyer wordt afgevoerd van de lijst omdat hij "bedankt" heeft (zijn plek heeft opgezegd). Er stond nog een schuld open van 2,40 gulden.
2. Februari 1942: De schuld wordt voldaan.
3. April 1942: Speyer verschijnt weer in beeld. Hij wordt opgeroepen door de ambtenaar De Haar. Er wordt genoteerd dat hij momenteel een "losse plaats" inneemt (een dagplek) en op de "roll. lijst" (rollatielijst of wachtlijst) staat voor een vaste plek. Hem wordt meegedeeld dat hij op zijn beurt moet wachten. Er wordt expliciet vermeld dat hij op dat moment geen schulden meer heeft bij de marktininstantie. De locatie Gaaspstraat is historisch zeer relevant. In november 1941 stelden de Duitse bezetters in Amsterdam drie specifieke markten in die uitsluitend toegankelijk waren voor Joden (de markten aan het Waterlooplein, de Gaaspstraat en het Joubertplein). Joodse marktkooplieden werden gedwongen hun standplaatsen op reguliere markten elders in de stad op te geven en te verhuizen naar deze gesegregeerde locaties.
Dit document illustreert de strikte bureaucratische controle op Joodse burgers tijdens de bezetting. Terwijl de grootschalige deportaties in de zomer van 1942 zouden beginnen, hield de Amsterdamse bureaucratie in de maanden daarvoor nog minutieus bij wie welke standplaats innam en of er nog "marktgeld" verschuldigd was. De ambtenaar "De Haar" komt in veel archiefstukken uit deze periode voor als degene die de dagelijkse gang van zaken op de Joodse markten controleerde. M. No M. Speyer Gemeente Amsterdam Marktwezen
Samenvatting
Dit document is een administratieve notitie van de gemeente Amsterdam (waarschijnlijk de afdeling Marktwezen). Het betreft de status van de heer M. Speyer als marktkoopman op de markt in de Gaaspstraat.
Uit de aantekeningen blijkt een chronologisch verloop:
1. Januari 1942: Speyer wordt afgevoerd van de lijst omdat hij "bedankt" heeft (zijn plek heeft opgezegd). Er stond nog een schuld open van 2,40 gulden.
2. Februari 1942: De schuld wordt voldaan.
3. April 1942: Speyer verschijnt weer in beeld. Hij wordt opgeroepen door de ambtenaar De Haar. Er wordt genoteerd dat hij momenteel een "losse plaats" inneemt (een dagplek) en op de "roll. lijst" (rollatielijst of wachtlijst) staat voor een vaste plek. Hem wordt meegedeeld dat hij op zijn beurt moet wachten. Er wordt expliciet vermeld dat hij op dat moment geen schulden meer heeft bij de marktininstantie.
Historische Context
De locatie Gaaspstraat is historisch zeer relevant. In november 1941 stelden de Duitse bezetters in Amsterdam drie specifieke markten in die uitsluitend toegankelijk waren voor Joden (de markten aan het Waterlooplein, de Gaaspstraat en het Joubertplein). Joodse marktkooplieden werden gedwongen hun standplaatsen op reguliere markten elders in de stad op te geven en te verhuizen naar deze gesegregeerde locaties.
Dit document illustreert de strikte bureaucratische controle op Joodse burgers tijdens de bezetting. Terwijl de grootschalige deportaties in de zomer van 1942 zouden beginnen, hield de Amsterdamse bureaucratie in de maanden daarvoor nog minutieus bij wie welke standplaats innam en of er nog "marktgeld" verschuldigd was. De ambtenaar "De Haar" komt in veel archiefstukken uit deze periode voor als degene die de dagelijkse gang van zaken op de Joodse markten controleerde.