Officiële correspondentie / Vergunning.
Origineel
Officiële correspondentie / Vergunning. 22 juli 1942. De Directeur, wnd. (waarnemend), vermoedelijk van de Dienst Marktwezen der Gemeente Amsterdam. Mw. de Wed. N. Suesan-Batavier, Ruyschstraat 122 hs, Amsterdam-Oost (Wijk 11). [Rechtsboven:]
HB.
[Linksboven:]
103/67/2 M.
[Rechtsonder de kop:]
22 Juli 1942.
[Adresblok:]
Mw. de Wed. N. Suesan-Batavier,
Ruyschstraat 122 hs,
Amsterdam-Oost.
Wijk 11.
[Body tekst:]
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 16 Januari j.l.
verleen ik U hierby tot wederopzegging toestemming zich op Uw
plaats op de markt(en) Gaaspstraat
te laten bystaan - [zoo noodig getypt boven xxxx] niet [doorgehaald met xxxx] vervangen - door B. de Leeuw, geboren
13 November 1914.
[Ondertekening:]
De Directeur,
wnd. Het document betreft een formele toestemming aan een marktkoopvrouw (een weduwe) om zich op haar marktplaats te laten bijstaan of te laten vervangen door een specifiek genoemd persoon (B. de Leeuw).
De tekst vertoont duidelijke sporen van redactionele aanpassing met de typemachine:
1. Locatie: "Gaaspstraat" is tussen de regels ingevoegd om de specifieke marktplaats te duiden.
2. Wijziging voorwaarde: Het woord "niet" is met kruisjes (xxxx) onleesbaar gemaakt, en daarboven is "zoo noodig" toegevoegd. Hierdoor verandert de betekenis van "niet vervangen" naar "indien nodig vervangen".
3. Spelling: Er wordt gebruikgemaakt van de destijds gangbare spelling (bijv. "hierby" met een 'y' en "Januari" met een hoofdletter).
4. Tijdsverloop: Er zit een opmerkelijk lang tijdsbestek van ruim zes maanden tussen de aanvraag (16 januari) en de uiteindelijke beschikking (22 juli). De context van dit document is uiterst precair vanwege de datum: 22 juli 1942. Dit is exact de periode waarin de grootschalige deportaties van Joden uit Amsterdam naar doorgangskamp Westerbork en de vernietigingskampen in het oosten op volle kracht kwamen (gestart op 15 juli 1942).
De namen in het document—Suesan-Batavier en De Leeuw—zijn veelvoorkomende namen binnen de Joodse gemeenschap van Amsterdam. De Ruyschstraat en de markt aan de Gaaspstraat (Transvaalbuurt) bevonden zich in wijken met een zeer hoge concentratie Joodse inwoners. In 1941 was door de bezetter bepaald dat Joodse marktkooplieden alleen nog op speciaal aangewezen "Jodenmarkten" mochten staan, waaronder de markt in de Gaaspstraat.
Dit document is een wrang voorbeeld van de bureaucratische realiteit tijdens de bezetting: terwijl de Sjoa zich voltrok, hield het ambtelijk apparaat zich nog bezig met het minutieus reguleren en corrigeren van vergunningen voor marktplaatsen. De toevoeging "tot wederopzegging" en de mogelijkheid tot vervanging "indien nodig" krijgen in het licht van de dreigende deportaties een zeer beladen betekenis. B. de Leeuw N. Suesan Gemeente Amsterdam Marktwezen
Samenvatting
Het document betreft een formele toestemming aan een marktkoopvrouw (een weduwe) om zich op haar marktplaats te laten bijstaan of te laten vervangen door een specifiek genoemd persoon (B. de Leeuw).
De tekst vertoont duidelijke sporen van redactionele aanpassing met de typemachine:
1. Locatie: "Gaaspstraat" is tussen de regels ingevoegd om de specifieke marktplaats te duiden.
2. Wijziging voorwaarde: Het woord "niet" is met kruisjes (xxxx) onleesbaar gemaakt, en daarboven is "zoo noodig" toegevoegd. Hierdoor verandert de betekenis van "niet vervangen" naar "indien nodig vervangen".
3. Spelling: Er wordt gebruikgemaakt van de destijds gangbare spelling (bijv. "hierby" met een 'y' en "Januari" met een hoofdletter).
4. Tijdsverloop: Er zit een opmerkelijk lang tijdsbestek van ruim zes maanden tussen de aanvraag (16 januari) en de uiteindelijke beschikking (22 juli).
Historische Context
De context van dit document is uiterst precair vanwege de datum: 22 juli 1942. Dit is exact de periode waarin de grootschalige deportaties van Joden uit Amsterdam naar doorgangskamp Westerbork en de vernietigingskampen in het oosten op volle kracht kwamen (gestart op 15 juli 1942).
De namen in het document—Suesan-Batavier en De Leeuw—zijn veelvoorkomende namen binnen de Joodse gemeenschap van Amsterdam. De Ruyschstraat en de markt aan de Gaaspstraat (Transvaalbuurt) bevonden zich in wijken met een zeer hoge concentratie Joodse inwoners. In 1941 was door de bezetter bepaald dat Joodse marktkooplieden alleen nog op speciaal aangewezen "Jodenmarkten" mochten staan, waaronder de markt in de Gaaspstraat.
Dit document is een wrang voorbeeld van de bureaucratische realiteit tijdens de bezetting: terwijl de Sjoa zich voltrok, hield het ambtelijk apparaat zich nog bezig met het minutieus reguleren en corrigeren van vergunningen voor marktplaatsen. De toevoeging "tot wederopzegging" en de mogelijkheid tot vervanging "indien nodig" krijgen in het licht van de dreigende deportaties een zeer beladen betekenis.