Handgeschreven brief met ambtelijke kanttekening
Origineel
Handgeschreven brief met ambtelijke kanttekening 2 september 1942 R. Wallega De Inspecteur van het Marktwezen, Amsterdam [Brieftekst]
Nº 104/27/2 M. 1942 2/9
R. Wallega
Chr. de Wetstraat 70 I
A’dam s 2. 9. ’42
Den Heer Inspecteur van het Marktwezen.
alhier.
Mijnheer,
Ik ontving Uw kaart dd. 31 Aug jl., waarin U mij verzoekt te Uwent te komen.
Daar dit voor mij een wandeling van 3 uur beteekent, hetgeen bezwaarlijk is, zou het mij aangenaam zijn, indien U de reden van Uw verzoek schriftelijk kenbaar zoudt willen maken, of indien mogelijk, een Uwer ambtenaren bij mij zoudt willen sturen.
U bij voorbaat dankend voor de te nemen moeite, teeken ik, met de meeste hoogachting.
R. Wallega-
Schnitseler
[Ambtelijke aantekening onderaan]
Echtgenote van dhr Wallega heeft een marktplaats v/a Joubertstraat en is thans in een rijkswerkkamp voor Joden.
Aan dhr. R. Wallega-Schnitseler kan m.i. worden bericht, dat de marktplaats v/a Joubertstraat ten name van haar echtgenoot wordt ingetrokken, tenzij dhr. W. persoonlijk van deze plaats gebruik wenst te maken.
2. 9. ’42 De brief is een reactie van de heer R. Wallega op een oproep van de Inspecteur van het Marktwezen. Wallega geeft aan dat een bezoek aan het kantoor voor hem een wandeling van drie uur betekent. Hij vraagt om een schriftelijke toelichting of een bezoek aan huis.
Onderaan de brief heeft een ambtenaar (waarschijnlijk op dezelfde dag, 2 september 1942) een advies geschreven. Hieruit blijkt dat de echtgenote van Wallega een marktvergunning had voor de markt aan de Joubertstraat, maar dat zij is gedeporteerd naar een "rijkswerkkamp voor Joden". De ambtenaar stelt voor om de vergunning in te trekken, tenzij de heer Wallega zelf de plek op de markt wil innemen.
Het handschrift van de brief is regelmatig en beleefd. De ambtelijke notitie is zakelijk en illustreert de koude bureaucratie waarmee de bezittingen en rechten van Joodse burgers werden afgehandeld. Dit document is een aangrijpend voorbeeld van de bureaucratische uitsluiting van de Joodse bevolking in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog.
- Mobiliteitsbeperking: Dat de heer Wallega spreekt over een "wandeling van 3 uur" wijst op de anti-Joodse maatregelen van de bezetter. Sinds juni 1942 was het Joden verboden gebruik te maken van de tram of ander openbaar vervoer, en mochten zij geen fietsen meer bezitten. Vanuit de Transvaalbuurt (Chr. de Wetstraat) naar het centrum lopen en terug was een zware opgave.
- Rijkswerkkampen: De vermelding dat de echtgenote in een "rijkswerkkamp voor Joden" verblijft, duidt op de eerste fasen van de deportatie. Veel Joodse vrouwen en mannen werden in de zomer van 1942 via werkkampen in Nederland uiteindelijk gedeporteerd naar vernietigingskampen zoals Auschwitz en Sobibor.
- Economische uitsluiting: De brief toont hoe de gemeente Amsterdam (het Marktwezen) meewerkte aan het "vrijmaken" van marktplaatsen die door Joden werden bezet. Terwijl de vrouw van de afzender in een kamp zat, werd haar bron van inkomsten direct door de overheid in twijfel getrokken en dreigde intrekking van de vergunning. R. Wallega Gemeente Amsterdam Marktwezen