Archiefdocument
Origineel
DEPARTEMENT VAN
LANDBOUW EN VISSCHERIJ.
=========================
25 Juli 1941.
No 24151
Rijksbureau voor de Voedsel-
voorziening in Oorlogstijd.
Afdeeling Algemeene Zaken.
DE SECRETARIS-GENERAAL VAN HET DEPARTEMENT VAN
LANDBOUW EN VISSCHERIJ;
Gelet op zijn beschikking van 5 Mei 1941, Rijksbureau
voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd, Afdeeling Al-
gemeene Zaken, No 14001;
HEEFT GOEDGEVONDEN:
met ingang van 18 Juli 1941 bovengenoemde beschikking in
dier voege te wijzigen, dat het bepaalde in artikel 1 onder
a na de woorden "voor één persoon bestemden maaltijd"
wordt gelezen als volgt: "meer bonnen, als bedoeld in arti-
kel 3 onder a en b van de Vleeschdistributiebeschikking
1940 II, in ontvangst te nemen, dan recht geven op één
rantsoen vleesch of één rantsoen vleeschwaren.".
's-GRAVENHAGE, 25 Juli 1941.
DE SECRETARIS-GENERAAL VOORNOEMD,
H.M. Hirschfeld. Dit document is een officieel besluit van administratieve aard, getypt op briefpapier van het Departement van Landbouw en Visscherij. De tekst is een juridische precisering van de regels rondom de distributie van vlees tijdens de bezettingstijd.
De kern van de wijziging is dat er voor een maaltijd bestemd voor één persoon niet meer bonnen aangenomen mogen worden dan het equivalent van één officieel vastgesteld rantsoen. Dit was bedoeld om te voorkomen dat mensen met extra bonnen (bijvoorbeeld verkregen op de zwarte markt of gespaard) grotere porties vlees konden consumeren in de horeca dan strikt toegestaan volgens de rantsoenering. De formulering verwijst specifiek naar de "Vleeschdistributiebeschikking 1940 II", wat duidt op de complexe gelaagdheid van de distributiewetgeving in die periode. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de voedselvoorziening in Nederland onderworpen aan een streng distributiesysteem om schaarste te beheersen. Het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd (RBVO) speelde hierin een centrale rol.
H.M. Hirschfeld, de ondertekenaar, was een sleutelfiguur tijdens de bezetting. Als Secretaris-Generaal van zowel het Departement van Economische Zaken als Landbouw en Visscherij, bleef hij aan om de Nederlandse economie en voedselvoorziening draaiende te houden onder toezicht van de Duitse bezetter. Zijn positie is na de oorlog uitvoerig besproken: hij gold als een schoolvoorbeeld van een ambtenaar die door "aan te blijven" trachtte het lot van de bevolking te verzachten, hoewel hij daarmee ook de bezettingsmachine faciliteerde. Dit document illustreert de bureaucratische controle tot op het niveau van de individuele maaltijd in 1941.