Verordening (gemeentelijk besluit).
Origineel
Verordening (gemeentelijk besluit). II VERORDENING OP DE INVORDERING VAN MARKTGELDEN,enz.
------------------------------------------------------
Art. 1
De invordering der belastingen, welke geheven worden krachtens de Verordening op de heffing van marktgelden,enz., vastgesteld bij raadsbesluit van geschiedt, behoudens het bepaalde in de artikelen 291 - 295 der Gemeentewet, namens den Gemeenteontvanger door de daarvoor door Burgemeester en Wethouders aangewezen ambtenaren van den Dienst van het Marktwezen.
Voor elke betaling wordt een bewijs afgegeven, hetgeen voor het betalen van ventgeld bestaat in het plakken van een van een stempel voorzien of op andere wijze gewaarmerkt zegel in het ventvergunningsboekje.
Het in de vorige alinea bedoelde bewijs moet aan de ambtenaren van den Dienst van het Marktwezen op hun aanvraag worden ter hand gesteld, bij gebreke waarvan de belasting geacht wordt niet te zijn betaald.
De ambtenaren van den Dienst van het Marktwezen zijn bevoegd, dengene, die nalatig is in het betalen van het verschuldigde marktgeld, onmiddellijk zijn plaats op de markt te doen ontruimen of hem den toegang tot het marktterrein te ontzeggen.
Art. 2
Het voldoen der marktgelden moet bij vooruitbetaling geschieden.
De artikelen, waarnaar in het vervolg dezer verordening wordt verwezen, zijn die van de Verordening op de heffing van marktgelden,enz.
De gelden verschuldigd krachtens artikel 1 sub a, b, c, en d, krachtens artikel 2, krachtens artikel 3 en krachtens artikel 4 sub a en b, moeten worden voldaan: op den eersten werkdag in Januari, indien de plaats wordt ingenomen, onderscheidenlijk de toegang verleend, voor den tijd van één jaar; op den eersten werkdag in Januari of in Juli, wanneer het recht op de plaats wordt toegekend voor een half jaar; op den eersten werkdag van de maand, indien de plaats wordt ingenomen, onderscheidenlijk de toegang verleend, voor den tijd van één maand; op den eersten werkdag van iedere week, indien de plaats wordt ingenomen, onderscheidenlijk het recht op de plaats wordt toegekend of de toegang wordt verleend, voor den tijd van een week.
Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd, in gevallen te hunner beoordeeling, toe te staan, dat de gelden, verschuldigd voor een plaats, die voor een jaar wordt ingenomen, in dat jaar in vier of in twaalf gelijke termijnen worden voldaan.
De in de voorgaande alinea's van dit artikel bedoelde gelden moeten voor de eerste maal worden voldaan bij het innemen van een plaats, onderscheidenlijk bij het toekennen van het recht op een plaats of bij het verleenen van toegang. Dit document bevat twee artikelen uit een gemeentelijke verordening die de praktische uitvoering van de inning van marktgelden regelt.
- Artikel 1 wijst de verantwoordelijkheid voor de inning toe aan ambtenaren van de "Dienst van het Marktwezen" namens de gemeenteontvanger. Het stelt strikte regels voor het bewijs van betaling (kwitanties of stempels in een boekje) en geeft ambtenaren de bevoegdheid om wanbetalers direct van de markt te verwijderen.
- Artikel 2 legt vast dat betaling altijd vooraf ("bij vooruitbetaling") moet geschieden. Er worden verschillende betaaltermijnen gedefinieerd (jaarlijks, halfjaarlijks, maandelijks of wekelijks) afhankelijk van de duur van de standplaatsvergunning. Opvallend is de mogelijkheid voor B&W om voor jaarkaarthouders een betalingsregeling in 4 of 12 termijnen toe te staan.
De tekst is formeel juridisch en de spelling (bijv. "Januari", "den", "verleenen") is conform de vooroorlogse Nederlandse taalnormen. Markten waren historisch gezien essentiële knooppunten voor lokale economieën. Voor een gemeente was de markt niet alleen een publieke voorziening, maar ook een belangrijke bron van inkomsten via sta-gelden en vergunningen.
Deze verordening illustreert de professionalisering en bureaucratisering van het marktwezen in de 20e eeuw. Door de inning over te laten aan een specifieke dienst en strikte regels voor termijnen en bewijsvoering op te stellen, probeerde de gemeente fraude tegen te gaan en een stabiele inkomstenstroom te garanderen. Het document verwijst naar de Gemeentewet (art. 291-295), wat aangeeft dat deze lokale regels ingebed waren in de nationale wetgeving omtrent gemeentelijke belastingen en invordering.