Handgeschreven brief/memorandum.
Origineel
Handgeschreven brief/memorandum. 6 mei 1943. 46 9/171/1 [in rood]
A’dam 6/5 43
Dir. N. V. V.
Ingevolge telef. afspraak
met den heer Verstraaten
doe ik u in bijlage dezes af-
schriften toekomen van uw
brieven d.d. 1 Oct. 1942 No
24234/V/W. en 10 Oct. 1942
No 25470/Verw./han., in welke
brieven groothandelaren
is opgedragen bepaalde percen-
tages visch naar A’dam te
zenden. Ik verzoek u beleefd
te doen verificeeren of deze
opdrachten thans nog onge-
wijzigd van kracht zijn.
In aansluiting hierop
breng ik het volgende onder
uw aandacht. De firma
[onleesbaar] te IJmuiden heeft, voor zoover
mij bekend, de Joodsche zaken
H. Wijnschenk, Cohen en
Cobi Wijnschenk in beheer. * Kernboodschap: De brief dient als begeleidend schrijven bij afschriften van eerdere correspondentie uit oktober 1942. Het gaat om opdrachten aan groothandelaren om een vastgesteld percentage van hun visvangst/voorraad naar Amsterdam te sturen. De afzender vraagt of deze regeling nog steeds van kracht is.
* Administratieve overname: De laatste alinea is historisch cruciaal. De afzender meldt dat een (moeilijk leesbare) firma in IJmuiden het "beheer" heeft overgenomen van drie Joodse zaken (Wijnschenk en Cohen). Dit verwijst direct naar het proces van "arisering" tijdens de bezetting, waarbij Joodse ondernemingen onder dwang onder het beheer van een "Verwalter" (bewindvoerder) werden geplaatst.
* Handelswaar: De focus op visvoorraden benadrukt de schaarste en de strakke distributiecontrole door de bezettingsautoriteiten in 1943. Dit document stamt uit mei 1943, een periode waarin de Jodenvervolging in Nederland een dieptepunt bereikte en de economische onteigening van Joodse burgers bijna voltooid was. De familie Wijnschenk was een bekende naam in de Amsterdamse vishandel (voornamelijk geconcentreerd rond de vismarkt bij de Nieuwmarkt).
De brief illustreert de bureaucratische nuchterheid waarmee de diefstal van Joods bezit werd afgehandeld: de overname van de "Joodsche zaken" wordt in één adem genoemd met technische details over visquota en distributie-afspraken. In deze periode werden vrijwel alle Joodse ondernemingen ofwel geliquideerd, ofwel overgedragen aan niet-Joodse beheerders, vaak met de hulp van instanties zoals de Omnia-Treuhandgesellschaft. H. Wijnschenk V. Omnia