Brief (handgeschreven)
Origineel
Brief (handgeschreven) 17 juni 1943 Onbekend (geen handtekening zichtbaar op dit blad) No. 464/210/1 M. 1943 ⁶/₆
Amsterdam 17 juni 1943
Aan de Directie der Gemeente Vischvoorziening
Amsterdam
Mijne Heeren,
Ergerlijke toestanden in de Vischvoorziening.
Nu er vleeschschaarschte heerscht en er toch nog vrij geregeld visch aanvoer is, zou het niet aanbevelingswaardig zijn, dat er een regeling getroffen werd dat het publiek in ’t algemeen zich van visch zou kunnen voorzien.
Het zijn nu steeds regelmatig dezelfde menschen die er van profiteeren, door haast iederen dag (Zondag niet uitgesloten) al des morgens reeds voor 6 uur hun plaats innemen op pleinen en straten waar visch verkoop is, dan den tijd afwachten of er wat komt.
Ook kinderen worden gebruikt om in de rij te staan en nemen voor dag en dauw de plaats in en men kan ze niet kwalijk nemen dat zij met deze koele en echt frissche ochtenden, den tijd met spelen en joelen doorbrengen en daardoor het omwonend publiek uit hun slaap wekt.
Kan er geen verbodsbepaling komen, dat zulks niet mag? want deze bijeenkomsten zijn toch gewoonlijk de haarden voor politieke besprekingen enz. De brief is een klacht over de gang van zaken bij de visverkoop in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. De schrijver beklaagt zich over een groep "vaste" wachtenden die dagelijks al voor 06:00 uur ’s ochtends plekken bezet houden.
De kernpunten van de klacht zijn:
1. Oneerlijke verdeling: Steeds dezelfde mensen profiteren van de visaanvoer.
2. Inzet van kinderen: Kinderen worden vroeg in de ochtend in de rij gezet om plaatsen bezet te houden.
3. Geluidsoverlast: Spelende en joelende kinderen verstoren de nachtrust van omwonenden.
4. Politiek risico: De schrijver suggereert dat deze vroege bijeenkomsten een broedplaats zijn voor "politieke besprekingen", een argument dat in 1943 zwaar woog bij de autoriteiten.
De toon is formeel maar dwingend, waarbij de schrijver inspeelt op de angst van de overheid voor onrust en ongecontroleerde volksophopingen. Dit document stamt uit juni 1943, midden in de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was de voedselschaarste groot. Vlees was nagenoeg niet meer verkrijgbaar of streng gerantsoeneerd, waardoor vis een essentieel alternatief was voor de bevolking.
Het "in de rij staan" was een dagelijkse realiteit en vaak een bron van grote sociale spanningen. De opmerking over "politieke besprekingen" is typerend voor de sfeer van de bezetting; de autoriteiten (zowel de Nederlandse gemeente als de Duitse bezetter) waren uiterst argwanend tegenover groepsvorming op straat, uit angst voor het verspreiden van nieuws van illegale zenders of het organiseren van verzet. De schrijver gebruikt dit politieke argument vermoedelijk om de directie tot sneller ingrijpen te bewegen.