Archiefdocument
Origineel
26 oktober 1943 A’dam, 26/10 1943
N.V.L. [Kenmerk in rood: 460/290/2]
Naar aanleiding van
Uw brief dd. 25 Sept. jl. No.
23372 - A.Z. / H. bericht ik U,
dat de onderhavige aangelegen-
heid is behandeld in de Verdeelings-
commissie van visch te dezer stede.
Posthumius krijgt [tussenvoegsel: per beurt] toegewezen
van: zoetwatervisch 80 halve kg.
aal 80 [idem]
zeevisch 100 [idem]
garnalen ongep. 4 kistjes
ger. visch 20 halve kg.
Hij moet deze visch verkoopen
op de hem aangewezen markt-
plaats, Albert Cuypstraat.
De Verdeelingscom. heeft
overwegend bezwaar om eraan
mede te werken, dat straathande-
laren zich in een winkel gaan
vestigen. [doorgehaald: afgezien nog van de ad]
[doorgehaald: Dit is slechts een poging]
om aan de strenge controle Het document is een ambtelijk schrijven of een intern memorandum uit de periode van de Duitse bezetting. Het handelt over de strikte regulering van de voedselvoorziening, in dit geval vis.
De kernpunten zijn:
1. Toewijzing: Een handelaar genaamd Posthumius krijgt specifieke hoeveelheden vis toegewezen (zoetwatervis, paling, zeevis, garnalen en gerookte vis). De eenheden worden uitgedrukt in "halve kg", wat typerend is voor de nauwkeurige rantsoenering in oorlogstijd.
2. Locatiegebondenheid: De handelaar is verplicht zijn waar te verkopen op de Albert Cuypmarkt.
3. Beleidsweigering: Er is een expliciet verbod voor deze straathandelaar om zich in een fysieke winkel te vestigen. De commissie vreest dat dit een manier is om aan de "strenge controle" te ontsnappen. De doorgehaalde zinnen suggereren dat de schrijver eerst wilde noteren dat het "slechts een poging" was om de regels te omzeilen, maar dit uiteindelijk formeler heeft geformuleerd. In 1943 was Nederland volledig afhankelijk van het distributiestelsel. Vis was een schaars goed en de handel werd strikt gecontroleerd door instanties zoals de Rijksdienst voor de Visserij en lokale Verdeelingscommissies.
De Albert Cuypmarkt in Amsterdam bleef gedurende de oorlog een centraal punt voor handel, hoewel de voorraden minimaal waren. De overheid (onder toezicht van de bezetter) hield straathandelaren nauwlettend in de gaten omdat de zwarte handel op markten welig tierde. Door handelaren op de markt te dwingen en hen te weren uit winkels, behield de inspectie beter zicht op de in- en verkoopstromen en de gehanteerde prijzen.