Uittreksel uit een ambtelijk reglement/besluit.
Origineel
Uittreksel uit een ambtelijk reglement/besluit. Gedateerd 25 mei 1934 en 21 december 1934. (Besluiten van Burgemeester en Wethouders van 25 Mei 1934, No. 87l
Arb. 1934 en van 21 December 1934, No. 1618 Arb. 1934.)
ART. 1
In dit Reglement wordt verstaan onder :
,,Burgemeester en Wethouders'': Burgemeester en Wethouders van Amsterdam ;
,,hoofd van dienst'': het hoofd van den diensttak, bij welken de schoonmaakster aangesteld is ;
,,de schoonmaakster'': zij, die bij een diensttak der gemeente Amsterdam belast is met het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden, welke niet van zeer tijdelijken aard zijn.
ART. 2
De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan voor onbepaalden tijd. Zij wordt in tweevoud opgemaakt en door beide partijen onderteekend.
ART. 3
Ten opzichte van de arbeidsovereenkomst, aangegaan met een gehuwde vrouw en een minderjarige, zijn de artt. 1637f, 1637g en 1637h van het Burgerlijk Wetboek van toepassing. Het document bevat de eerste drie artikelen van een reglement voor gemeentelijke schoonmaaksters in Amsterdam uit 1934. De teksten weerspiegelen de ambtelijke taal en juridische kaders van het interbellum.
- Definities (Art. 1): Er wordt een strikt onderscheid gemaakt tussen de werkgever (B&W Amsterdam), de hiërarchische meerdere (hoofd van dienst) en de werknemer. Opvallend is het uitsluitend gebruik van de vrouwelijke vorm "schoonmaakster", wat de toenmalige gendersegregatie op de arbeidsmarkt illustreert: schoonmaakwerk was specifiek vrouwelijk domein. Daarnaast wordt bepaald dat het reglement enkel geldt voor personeel met een zekere mate van vastigheid (niet van "zeer tijdelijken aard").
- Vormvereisten (Art. 2): Het reglement schrijft een schriftelijk contract voor onbepaalde tijd voor, wat duidt op een streven naar rechtszekerheid en formele aanstellingen binnen het gemeentelijk apparaat.
- Rechtspositie (Art. 3): De verwijzing naar de artikelen 1637f, g en h van het Burgerlijk Wetboek is historisch relevant. In 1934 waren gehuwde vrouwen in Nederland nog 'handelingsonbekwaam' (dit bleef zo tot 1956). De genoemde artikelen uit het BW (geïntroduceerd in 1907) regelden onder welke voorwaarden gehuwde vrouwen en minderjarigen een arbeidsovereenkomst mochten aangaan en wie het loon mocht innen. Dit document stamt uit de crisisjaren dertig. Terwijl de werkloosheid hoog was, professionaliseerde de overheid haar eigen personeelsbeleid. De afkorting "Arb." in de referentienummers bovenin staat vermoedelijk voor "Arbeidszaken", de afdeling binnen de gemeente die deze besluiten beheerde.
De expliciete vermelding van de gehuwde vrouw in artikel 3 moet gezien worden tegen de achtergrond van de toenmalige maatschappelijke discussie over vrouwenarbeid. In de jaren '30 probeerde de rijksoverheid herhaaldelijk arbeid door gehuwde vrouwen te beperken of te verbieden (zoals het wetsvoorstel-Romme), om banen vrij te houden voor gezinshoofden (mannen). Dit gemeentelijk reglement erkent de gehuwde vrouw echter als contractpartij, zij het binnen de toen geldende restrictieve kaders van het Burgerlijk Wetboek.