Handgeschreven ambtelijke notitie / rapportage.
Origineel
Handgeschreven ambtelijke notitie / rapportage. 18 november 1924 (gebaseerd op "Gent 18/11 24"). Vraagstelling (bovenzijde):
De Insp. v. Politie,
welke overtreding hebt U bij Wiereijn geconstateerd?
van wien had W de eieren?
Heeft Wiereijn een vaste plaats?
Gent 18/11 24
Antwoord (onderzijde):
Wiereijn had zijn eieren niet aangeprijsd.
Wij hoorde dat hij de eieren verkocht voor
90 cent per Kilo. doch hebben het persoonlijk
niet geconstateerd.
Wiereijn heeft een vaste plaats.
v. d. Berghe Het document is een interne correspondentie tussen (vermoedelijk) een commissaris of administratieve dienst en een lagere politiebeambte of marktinspecteur (V. d. Berghe).
De kern van de zaak is een controle op de markt. Er zijn drie specifieke vragen gesteld aan de verbalisant:
1. Wat was de precieze overtreding?
2. Wat was de herkomst van de koopwaar?
3. Heeft de handelaar een vaste standplaats (belangrijk voor de vergunning en tarifering)?
In het antwoord geeft de inspecteur toe dat de enige feitelijke vaststelling is dat de eieren niet voorzien waren van een prijsaanduiding ("niet aangeprijsd"). Hoewel er geruchten waren over de verkoopprijs (90 cent per kilo), merkt de inspecteur eerlijk op dat hij dit niet zelf heeft waargenomen, wat juridisch van belang is voor de bewijsvoering. Dit document stamt uit het interbellum (1924). In deze periode was er strikte controle op marktprijzen en eerlijke handel, mede als gevolg van de economische instabiliteit na de Eerste Wereldoorlog.
Het verplicht "aanprijzen" (etiketteren met de prijs) was een maatregel om prijsopdrijving tegen te gaan en de consument te beschermen. De vermelding van "90 cent per kilo" voor eieren geeft een interessant inkijkje in de toenmalige kosten van levensonderhoud. Dat er specifiek gevraagd wordt naar een "vaste plaats" duidt op het onderscheid tussen gevestigde marktkramers en rondtrekkende leurders, die aan verschillende politiereglementen onderworpen waren.
Samenvatting
Het document is een interne correspondentie tussen (vermoedelijk) een commissaris of administratieve dienst en een lagere politiebeambte of marktinspecteur (V. d. Berghe).
De kern van de zaak is een controle op de markt. Er zijn drie specifieke vragen gesteld aan de verbalisant:
1. Wat was de precieze overtreding?
2. Wat was de herkomst van de koopwaar?
3. Heeft de handelaar een vaste standplaats (belangrijk voor de vergunning en tarifering)?
In het antwoord geeft de inspecteur toe dat de enige feitelijke vaststelling is dat de eieren niet voorzien waren van een prijsaanduiding ("niet aangeprijsd"). Hoewel er geruchten waren over de verkoopprijs (90 cent per kilo), merkt de inspecteur eerlijk op dat hij dit niet zelf heeft waargenomen, wat juridisch van belang is voor de bewijsvoering.
Historische Context
Dit document stamt uit het interbellum (1924). In deze periode was er strikte controle op marktprijzen en eerlijke handel, mede als gevolg van de economische instabiliteit na de Eerste Wereldoorlog.
Het verplicht "aanprijzen" (etiketteren met de prijs) was een maatregel om prijsopdrijving tegen te gaan en de consument te beschermen. De vermelding van "90 cent per kilo" voor eieren geeft een interessant inkijkje in de toenmalige kosten van levensonderhoud. Dat er specifiek gevraagd wordt naar een "vaste plaats" duidt op het onderscheid tussen gevestigde marktkramers en rondtrekkende leurders, die aan verschillende politiereglementen onderworpen waren.