Administratieve correspondentie (memo/brief).
Origineel
Administratieve correspondentie (memo/brief). 7 april 1939. No 20/46/1 M 1939 7/4 Den Heer Inspecteur
vh marktwezen
alhier.
Naar aanleiding van bijgaand schrijven
inhoudende een klacht van plaats houder No 8
Mr Bamberger, terzake toewijzing van opengekomen
marktplaatsen aan de Westerstraat meld ik U het volgende.
De gewoonte is altijd geweest, niet alleen
door mij, maar ook door mijn voorgangers, als er
open marktplaatsen waren van Lindengracht en Wester-
straat, dat deze geannonceerd werden aan het markt-
kantoor aan de Noordermarkt.
Deze kennisgeving blijft dan gewoonlijk
± 10 dagen goed zichtbaar hangen en kunnen gegadigden
die eventueel voor plaatsruiling in aanmerking wen-
schen te komen, zich bij den betrokken marktambtenaar
hiervoor opgeven.
Men kan gevoeglijk aannemen, dat dit
de gewone gang van zaken is en de marktopzichter
weet zeer goed, als de kooplieden meer aandacht
zouden schenken aan eventueele kennisgevingen,
die toch periodiek ter kennis worden gebracht, hij
inderdaad meer inschrijvers zou kunnen boeken.
Het ligt nu eenmaal niet op den weg
van den marktopzichter met opengekomen plaatsen
te venten, want dit houd in, dat een z.g. gedupeerd
koopman zal zeggen, waarom heeft U hem wel en Dit document is een reactie van een marktfunctionaris (waarschijnlijk een marktmeester of opzichter) op een klacht van een heer Bamberger, houder van standplaats nummer 8. Bamberger beklaagt zich over de wijze waarop vrijgekomen plaatsen op de markt in de Westerstraat worden toegewezen.
De kern van het verweer is:
1. Transparantie via vaste procedure: Er is een vaste traditie waarbij vacante plekken (zowel op de Lindengracht als de Westerstraat) gedurende ongeveer 10 dagen schriftelijk worden aangekondigd bij het marktkantoor aan de Noordermarkt.
2. Eigen verantwoordelijkheid: De schrijver stelt dat kooplieden zelf de plicht hebben om deze aankondigingen in de gaten te houden als zij in aanmerking willen komen voor een 'plaatsruiling' (een betere plek).
3. Neutraliteit van de opzichter: De schrijver benadrukt dat een marktopzichter niet actief de boer op moet gaan met vrije plekken ("venten"). Dit zou de schijn van vriendjespolitiek of willekeur wekken, waarbij de ene koopman zich benadeeld voelt ten opzichte van de ander.
De tekst breekt abrupt af aan de onderkant van de pagina, midden in een argument over mogelijke beschuldigingen van favoritisme. De brief dateert van april 1939, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De genoemde locaties (Westerstraat, Lindengracht en Noordermarkt) vormen het hart van de Amsterdamse Jordaan, waar van oudsher belangrijke markten werden gehouden.
In die tijd was de organisatie van de markten een strikt gereguleerde gemeentelijke aangelegenheid. Standplaatsen waren schaars en de toewijzing ervan was cruciaal voor het inkomen van de marktkooplieden. De naam 'Bamberger' is van oudsher een bekende naam in de Joodse gemeenschap in Amsterdam; gezien de datum van het document bevindt de klager zich in een periode van toenemende spanning, hoewel dit document strikt een zakelijk-bureaucratisch conflict over marktrecht en procedures betreft. Het document illustreert de formele, bijna defensieve toon van de gemeentelijke bureaucreatie uit die periode. Marktwezen