Het document is de laatste pagina van een formeel schrijven van D. Werkendam aan een ambtelijke instantie (aangesproken met "Uw Ed.", oftewel Uw Edelgestrenge). De kern van het verzoek is een eerlijk onderzoek naar een klacht waarbij een zekere heer Wolf betrokken is. D. Werkendam vreest voor een eenzijdige behandeling en vraagt om ook gehoord te worden. Hij tekent namens zijn werkgever, M. Werkendam. Onderaan het document staan felle reacties van een ambtenaar (waarschijnlijk een inspecteur van de marktpolitie of het marktwezen). De toon van de ambtenaar is denigrerend: hij noemt de brief "onzin" en stelt dat Werkendam straf verdient voor wangedrag. Tevens wordt de hiërarchie verduidelijkt: M. Werkendam had geen toestemming om zich door D. Werkendam te laten assisteren. Er wordt gesuggereerd dat D. Werkendam de zoon is van M. Werkendam.
Het document dateert van juli 1939, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De genoemde locaties (Ten Katestraat, Mosplein) duiden op de Amsterdamse markthandel. De namen Werkendam waren veelvoorkomende namen binnen de Joodse gemeenschap in Amsterdam, wat in de context van 1939 extra gewicht geeft aan de ambtelijke afhandeling van dergelijke klachten. De brief geeft een inkijkje in de bureaucratische strijd van marktplunsets (standplaatshouders) en de soms autoritaire houding van de controlerende instanties in die tijd. Het gebruik van "voorkeurskaarten" wijst op het gereguleerde systeem van standplaatsen op de Amsterdamse markten.