Archief 745
Inventaris 745-427
Pagina 169
Dossier 17
Jaar 1944
Stadsarchief

Krantenartikel / Beschouwing

Origineel

Krantenartikel / Beschouwing Groentenvoorziening van Amsterdam

DE PSYCHOLOGIE DER VERDEELING

Een medewerker, die zeer nauw betrokken is bij de verbetering van het distributie-apparaat in onze Markthallen, schrijft ons:

Meer en meer wordt het gebruikelijk, misdaden op hun psychische oorzaken te onderzoeken. Wordt b.v. iemand, die een dubbele moord gepleegd heeft, tot 15 jaar veroordeeld, terwijl men verwachtte, dat levenslang gegeven zou worden, dan is rekening gehouden met de psychische omstandigheden, waarin de misdadiger zich op het moment van de misdaad bevond. Dit is de objectiviteit in de realiteit bij de rechtbank. Een dergelijke objectiviteit moet zij nu ook in aanmerking nemen in het verband der verhoudingen bij de groentenvoorziening.

Wanneer we de groenten-distributie in haar ontwikkeling volgen, zien we, dat deze voorheen niet de aandacht kreeg, welke zij verdiende. Dit kwam in hoofdzaak, doordat groente meer als genot- dan als voedingsmiddel werd beschouwd, en in ons groenteland tegen geringe prijzen verkrijgbaar was. Zoo kon iemand, wanneer hij slechts over vijf gulden de beschikking had, zonder eenige vakkennis, groentenhandelaar worden.

De betrokkenen bij deze distributie vonden derhalve niet de maatschappelijke waardeering, welke, gezien de nuttige plaats, die zij innamen, noodig was, en het waren vooral de kleinhandelaren, die letterlijk dag en nacht in touw waren tegen een zeer matige vergoeding. Sociologisch gezien, was dat een rem voor het ontwikkelingspeil van de groep als geheel. We gebruiken speciaal het woord „groep", daar de persoon uit iedere groep in ons maatschappelijk leven zich kan verheffen.

Dank zij den invloed van eenvoudige, goedwillende „kerels", is het „vak" voor de beoefenaar wat gunstiger geworden, en indien de economische crisis ons land niet jaren achtereen geteisterd had, waren de zichtbare resultaten over het algemeen eveneens gunstiger geweest. We hebben hier zuiver de materiëele zijde van het vraagstuk op het oog; daardoor ontstaan ontwikkelingsbehoeften, en deze bepalen mede de beoordeeling van het ontwikkelingspeil, hoewel gebleken is, dat deze factor een sterke éénzijdige is. De ervaring heeft geleerd, dat de moreele ontwikkeling één der belangrijkste is, en deze kan het bezit zijn van den ongeschoolden werkman zoowel als van den academisch gevormden mensch.

Groot gezien, mogen we beweren, dat de distribuanten-groepen (groot- en kleinhandelaars) een wereld op zich zelf vormen, met eigen gebruiken, vooral op de marktplaatsen, waaraan de gemeenschap als geheel, weinig aandacht schonk. De groothandelaar leerde zich vertrouwd maken met groote, de kleine met kleine risico's, en beiden, de één indirect, de ander direct, waren onderworpen aan de nukken van een verwend publiek, dat nagenoeg altijd iets anders wou hebben dan er was. Zoo is het helaas nog, zelfs in dezen tijd van schaarschte.

Met den oorlog kwam in de verhouding tusschen distribuanten en publiek, een ingrijpende verandering. Deze wereld van vrijbuiters — in den goeden zin — kreeg in het distributie-proces de allermoeilijkste taak, die denkbaar is: ze kreeg de verantwoordelijkheid voor de voorziening, aan een volk, dat haar verguisde in een tijd, toen er een overweldigend aanbod was tegen betrekkelijk weinig vraag. Psychologisch gaf dat bij vele betrokkenen moeilijkheden; ze konden zich niet zonder meer inschakelen; daarvoor was de behoefte aan bevrediging, aan beide zijden, te groot. Men trachtte daaraan te voldoen, zeer ten nadeele van het distributie-apparaat in het algemeen. Met verwijten aan het publiek en aan den handel, moeten we dientengevolge voorzichtig zijn. Uit de psychologie weten we, dat de menschen, onder dezelfde omstandigheden, nagenoeg altijd door dezelfde invloeden worden beheerscht.

In 1942 werden de oude organisatievormen geliquideerd en traden nieuwe in werking, die der bedrijfsschappen en -groepen, vormen, die geschoolde organisatie van alle belanghebbenden vereischen om goed te kunnen functionneeren. Over het feit der stichting geven we geen oordeel: de oorlogsrealiteit werkt met revolutionnaire middelen, terwijl organisaties met haar voorschriften, verordeningen of wetten over het algemeen producten der revolutionnaire ontwikkeling zijn. (Keuringsdiensten van waren, en ventverboden in bepaalde centra zijn hiervan voorbeelden).

Voor de verdeeling der aangevoerde groente, — waar het Amsterdam betreft, op de Markthallen — ontstond het instituut „verdeeler", bestaande uit iemand uit de vakgroep „groothandel", bijgestaan door een kracht uit den kleinhandel. Dat daarvoor bekwame vaklieden noodig waren, primair van aanleg, d.w.z. in staat tot snel reageeren en besluiten, met „oogen van voren en van achteren" en beschikkend over moreel overwicht, is duidelijk. In Amsterdam is de keuze waardevol geweest.

Psychologisch is het vermeldenswaard, dat de verdeeler „groothandel", zijn zaak in den vennootschapsvorm heeft opgebouwd, om den directen invloed van dagelijksche winst of verlies te ontgaan; hij realiseert zijn bedrijfsexploitatie, en de resultaten daarvan, over een langeren termijn.

Voor den sub-verdeeler (kleinhandel) pleit diens jarenlange belanglooze arbeid in het organisatie-leven, waarbij het hem gelukt is, de „groentewinkel" en het leven der handelaars op wat hooger peil te brengen.

Natuurlijk zijn beiden „belanghebbenden" en direct of indirect betrokken bij „eigen zaken", wat tot veel naijver en misverstand aanleiding geeft. Doch die gevolgen „nemen ze".

Deze beschouwing moet, in haar algemeene strekking, vergeleken worden met die van den psycho-analyticus in een rechtszaak, waar, ongeacht de psychische oorzaken der feiten en de verzachtende omstandigheden, de gemeenschap beschermd moet worden en de beklaagde niet vrij-uit kan gaan.

In ons geval gaat het er om, nu de volksgezondheid bijzondere zorg vraagt en de gemeenschap als geheel te kort schiet in de bescherming van haar eigen belangen, middelen te vinden en maatregelen te treffen, die een doelmatige groenten-distributie zoo dicht mogelijk benaderen.

Dit is een primair sociaal belang.

Verder moeten deze maatregelen zoo zijn, dat straf — om dat woord nu maar te gebruiken — gerechtvaardigd is.

DE MARKTHALLEN

Laat ons nu vanuit dien gezichtshoek de verdeeling der groente in de Markthallen onder de loupe nemen, en nagaan, waar de oorzaken kunnen liggen van fraude; waardoor de koopbereidheid en het gemis aan inzicht in de voedingswaarde der producten bij het publiek ontstaat, wat de psychische voedingsbodem daarvan is.

In verhouding tot het ingeschreven aantal klanten, krijgt de handelaar bonnen toegewezen. Naargelang de grootte van den aanvoer, worden een of meer bonnen aangewezen, alsook de groothandelaar, bij wien de producten verkrijgbaar zijn. Hierbij wordt uitgegaan van de gedachte, dat voor iederen consument een bepaalde hoeveelheid, binnen zekere termijn, gewenscht is. Is nu de aanvoer voldoende, d.w.z. is voor iederen consument deze hoeveelheid beschikbaar, dan wordt de groente zonder meer vrij gegeven en kan iedere handelaar zich bevoorraden. Hij is dan aansprakelijk voor de hoeveelheid, die zijn klanten krijgen. Wanneer het publiek wat intelligenter was, dan zou het zich, indien er b.v. overvloedig andijvie of spitskool is, voor een paar dagen van groente verzekeren. Door de buitenste bladen eerst te bereiden en het restant in kranten te bewaren, is zij, als ze des Zaterdags gekocht is, des Maandags nog in zeer behoorlijken staat. Deze weg wordt helaas onvoldoende gevolgd en de handelaar blijft dikwijls met producten zitten, die hij probeert 's Maandags te verkoopen. Hij komt daardoor in de verleiding, 's Maandags niet naar de markt te gaan. Im- * Kernboodschap: De auteur pleit voor een psychologisch en sociologisch begrip voor de groentehandelaren in Amsterdam. Hij stelt dat de handel historisch gezien ondergewaardeerd werd, maar door de oorlogssituatie en de schaarste een cruciale, zware maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft gekregen.
* Structuur: Het artikel begint met een filosofische/psychologische inleiding over schuld en omstandigheden, verschuift dan naar de sociaal-economische geschiedenis van de groentehandel, en eindigt met de praktische werking van het distributiesysteem in de Markthallen.
* Belangrijke observaties:
* Professionalisering: De tekst beschrijft de overgang van een "vrije" markt met "vrijbuiters" naar een strak gereguleerd systeem van bedrijfsschappen (geïntroduceerd in 1942 onder het bewind van de bezetter).
* De "Verdeeler": Er wordt uitgelegd hoe het systeem van verdeling in de Markthallen werkt, waarbij groothandelaren en kleinhandelaren samenwerken onder toezicht.
* Consumentengedrag: De auteur bekritiseert het gebrek aan "intelligentie" bij het publiek wat betreft het bewaren van groenten, wat leidt tot verspilling en economische druk op de handelaar.
* Toon: De toon is verdedigend voor de handelaar, maar erkent de noodzaak van controle en "straf" om de volksgezondheid te beschermen. Dit document is een product van de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Tijdens de bezetting werd de voedselvoorziening strikt gereguleerd via het distributiestelsel. De Amsterdamse Centrale Markthallen (het huidige Food Center Amsterdam aan de Jan van Galenstraat) vormden het kloppend hart van deze voorziening.

De verwijzing naar 1942 is cruciaal; in dat jaar werden de economische structuren door de bezetter gelijkgeschakeld ("Gelijkschakeling"), waarbij oude verenigingen werden opgeheven en vervangen door publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties (zoals het Bedrijfschap voor Groenten en Fruit).

Het artikel weerspiegelt de spanningen van die tijd: de schaarste aan producten, de verdenkingen van zwarte handel ("fraude"), de druk op winkeliers die dag en nacht werkten, en de poging van de autoriteiten (of aan de overheid gelieerde organen) om via "voorlichting" het publiek en de handel in het gareel te houden. Het gebruik van psychologische argumenten om economische processen te duiden, was voor die tijd een relatief moderne insteek.

Samenvatting

  • Kernboodschap: De auteur pleit voor een psychologisch en sociologisch begrip voor de groentehandelaren in Amsterdam. Hij stelt dat de handel historisch gezien ondergewaardeerd werd, maar door de oorlogssituatie en de schaarste een cruciale, zware maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft gekregen.
  • Structuur: Het artikel begint met een filosofische/psychologische inleiding over schuld en omstandigheden, verschuift dan naar de sociaal-economische geschiedenis van de groentehandel, en eindigt met de praktische werking van het distributiesysteem in de Markthallen.
  • Belangrijke observaties:
    • Professionalisering: De tekst beschrijft de overgang van een "vrije" markt met "vrijbuiters" naar een strak gereguleerd systeem van bedrijfsschappen (geïntroduceerd in 1942 onder het bewind van de bezetter).
    • De "Verdeeler": Er wordt uitgelegd hoe het systeem van verdeling in de Markthallen werkt, waarbij groothandelaren en kleinhandelaren samenwerken onder toezicht.
    • Consumentengedrag: De auteur bekritiseert het gebrek aan "intelligentie" bij het publiek wat betreft het bewaren van groenten, wat leidt tot verspilling en economische druk op de handelaar.
    • Toon: De toon is verdedigend voor de handelaar, maar erkent de noodzaak van controle en "straf" om de volksgezondheid te beschermen.

Historische Context

Dit document is een product van de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Tijdens de bezetting werd de voedselvoorziening strikt gereguleerd via het distributiestelsel. De Amsterdamse Centrale Markthallen (het huidige Food Center Amsterdam aan de Jan van Galenstraat) vormden het kloppend hart van deze voorziening.

De verwijzing naar 1942 is cruciaal; in dat jaar werden de economische structuren door de bezetter gelijkgeschakeld ("Gelijkschakeling"), waarbij oude verenigingen werden opgeheven en vervangen door publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties (zoals het Bedrijfschap voor Groenten en Fruit).

Het artikel weerspiegelt de spanningen van die tijd: de schaarste aan producten, de verdenkingen van zwarte handel ("fraude"), de druk op winkeliers die dag en nacht werkten, en de poging van de autoriteiten (of aan de overheid gelieerde organen) om via "voorlichting" het publiek en de handel in het gareel te houden. Het gebruik van psychologische argumenten om economische processen te duiden, was voor die tijd een relatief moderne insteek.

Kooplieden in dit dossier 100

A. den Heyer Rijnsb.7 Rijnsb.7
A.den Heyer Rijnsb.7 Rijnsb.7
A.den Heyer Rijnsb.7 Rijnsb.7
A.F. Kitz 35221
A.F. Kitz 35221
A.F. Kitz 35221
A. Spanjaard 133.34 ✓
A. v.d. Mekke 233.34
C. de Jong 84040
C. de Jong 84040
C. de Jong 84040
C. de Mooij 100 – ✓
C. Kooy 8457 2
C. Kooy 84572
C. Kooy 84572
C. Kooy 84572
Alle 100 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 3