Krantenknipsel / Artikel.
Origineel
Krantenknipsel / Artikel. Vermoedelijk juli 1944 (gebaseerd op de referentie naar "15 Juli '44" in de tekst). mers, indien er dan voldoende versche groente is, raakt hij zijn oude niet kwijt. Vandaar dat het voorkomt, dat we op Maandag bij den groenteboer om 1 uur, wanneer zijn oude voorraad verkocht is, de mededeeling lezen: „geen groente", terwijl er aanvoer op de markt was.
Zoo is de toestand, wanneer er voldoende aanvoer is. De zaak wordt moeilijker, wanneer er onvoldoende is, en de aanwijzing op bonnen moet plaats vinden, terwijl er o.a. producten bij zijn, die het publiek „wil", d.w.z. producten, waarvoor men bereid is het meervoudige te betalen.
De aangegeven bon of bonnen blijven geldig, totdat de leiding meent, dat ze „uitgedraaid" zijn, waarna een nieuwe wordt aangewezen.
Nu komen de moeilijkheden.
De verdeelers moeten zorgen, dat de groente de stad in komt; ze loopen voortdurend rond te zien, of alles opgenomen wordt door de bezitters van het loopende bonnummer. Wordt het nu b.v. 10 uur en ligt er nog te veel, dan moet een nieuwe bon aangewezen worden en op het „bord" bekend gemaakt. Er loopt dus al een nieuwe bon, terwijl de mogelijkheid bestaat, dat er handelaars zijn, die de oude nog niet hebben ingeleverd.
Volgen hierop nu een of meer dagen, dat de groente, welke op die bon verkrijgbaar was, in voldoende mate aan de markt komt, zoodat het mogelijk is, dat alle consumenten op zoo'n moment over de toegewezen hoeveelheid hebben kunnen beschikken, dan wordt de oude bon vervallen verklaard. Het zijn o.a. die gevallen, welke tot ongewenschte gevolgen kunnen leiden.
Het is b.v. mogelijk, dat, indien de aanvoer van een product wat ruim is, de bonbezitter speculeert op een schralen dag om dan zijn bonnen in te lossen en daardoor in de gelegenheid te zijn, wat „ruimere" prijzen te maken. Waren er b.v. 6 grossiers, die dat product uitgaven, en hij is bij 2 of 3 geweest, die uitverkocht waren, dan liggen hierin de voor hem rechtvaardigde motieven niet bij de anderen te gaan informeeren en zonder die groente de markt te verlaten. Krijgen we daarna een toestand als boven vermeld, dan is de ontstemming bij den belanghebbenden groot en „ik heb het niet geweten", is dan het alles beheerschende. Dan hoort men: „Ik kom op voor de belangen van den consument". Dit heeft er toe geleid, dat de verdeeler veelal de verzuchting slaakt: „Ik houd niet van menschen, die in die omstandigheden opkomen voor de belangen van hun klanten en ben dan extra voorzichtig".
Ook gaan dikwijls de groothandelaars niet vrij uit, daar ze hun z.g. klanten vooruit inlichten enz., met alle gevolgen.
LUIDSPREKER BRENGT HULP
Uit dit geval, dat met andere is aan te vullen, die echter psychisch op hetzelfde neerkomen, is te concludeeren, dat de tijdstippen voor het aanwijzen van nieuwe bonnen, meer gebonden moeten zijn, waardoor vooral de arbeid van de verdeelers verlicht zal worden. Het is toch absurd, dat deze heeren een permanent inlichtingen-bureau vormen, waardoor hun jasmouwen aan groei, en hun geluid aan krimpingen onderhevig zijn. Toen dan ook aan het Bedrijfschap geadviseerd werd, op korten termijn, met medewerking van de Marktdirectie, een geluidsinstallatie te doen plaatsen, was de leiding in Den Haag direct hiervoor geporteerd. De moeilijkheden, o.a. gemis aan materiaal, werden ondervangen, doordat de gedachte aanvaard werd, indien noodig, tegen huurvergoeding een installatie van een onzer sportvelden te vorderen. Voorsteller ging hierbij uit van de gedachte, dat de sportbeoefenaars en bewonderaars, behoefte hebben aan een zoo goed mogelijk geleide distributie van de voedingsstoffen, waardoor sportprestaties en het genieten daarvan, mogelijk zijn.
Hiermede kan bereikt worden, dat het geheele verloop van de bonnentoe wijziging geannonceerd wordt, d.w.z. iedere aangewezen grossier voor een bepaald artikel geeft onmiddellijk aan het verdeelkantoor door, wanneer hij „los" is. De handelaars worden in kennis gesteld en zijn niet meer verplicht allen af te sjouwen, waardoor lichamelijke en geestelijke vermoeidheid voorkomen wordt en de neiging onderdrukt, zonder goederen de markt te verlaten. Tijdig is dan op de markt bekend, dat de grossiers, wat de oude bonnen betreft, „los" zijn. Blijken er nog van die goederen aanwezig, dan kunnen ze op een nieuwe bon worden afgegeven. In de praktijk gaat dan een nieuwe bon draaien.
Het vervallen verklaren van oude bonnen is dan volkomen gerechtvaardigd, daar iedere winkelier in de gelegenheid is geweest op officieele wijze zich van de marktpositie op de hoogte te stellen. De schade, die voor ieder persoonlijk ontstaat, kan dan niet afgewenteld worden op de „omstandigheden" en de straf — indien we het zoo noemen moeten — is gerechtvaardigd. In dit geval spreken we van een moreelen rechtsgrond.
Laat ons nu tot slot nog een paar woorden wijden aan het distribueeren van die goederen, welke aan voedselwaarde-vermindering onderhevig zijn, en nog even aan de kersen, als uitgangspunt, aandacht schenken.
Na de „Zondagkersen" (zie De Zakenwereld 15 Juli '44) is mede, dank zij de hulp van het „Marktwezen", de distributie geperfectionneerd, wat uit het volgende blijkt. Op de Elandsgracht meende de politie het zonder „paard" te kunnen stellen, en we zagen den bezorgden blik van den Ambtenaar van het Marktwezen, die de verantwoordelijkheid droeg. De massa werd moeilijker te beheerschen en naderde meer en meer de verkoopplaats. Plotseling sprong genoemde heer naar voren en riep tegen de politie: „Ik verkoop niet verder." Wat was er gebeurd en waaruit moet de houding van den ambtenaar verklaard worden?
Voor de aangroeiende massa bestonden er alleen maar „kersen", en naargelang zij de verkoopplaats naderde, werd de behoefte ze te bezitten, grooter. Het geheel is het best te vergelijken met een magneet, en het voorwerp, dat aangetrokken wordt. We herinneren ons wel uit onze jeugd, dat ons magneetje het spijkertje sneller aantrok, wanneer het dichter genaderd was. Zoo was het nu met deze menschenmassa; men zou de kersen zonder meer meenemen, zonder het zich bewust te zijn, of vergeten wisselgeld terug te ontvangen, of te controleeren of men het gewicht wel kreeg. Indien de ambtenaar niet ingegrepen had, was een toestand ontstaan, die niet anders dan met geweld te beheerschen was geweest. Het „paard" arriveerde en dank zij de intuïtieve psychische kwaliteiten van dezen ambtenaar had de verkoop verder een normaal verloop.
Een tweede geval, waaruit blijkt, van hoeveel beteekenis de leiding van het marktwezen is, was dat op het Troostplein. Door de verdeelers was besloten — gezien den toestand der kersen — 2 kilo per gezin te geven. De groep werd echter zóó groot, dat, indien men zich daaraan hield, te velen teleurgesteld naar huis zouden gaan. De ambtenaar beschikte over de bevoegdheid de hoeveelheid naar omstandigheden te bepalen, en nu ging ieder met één kilo naar huis.
Maar ook de politie stond in dienst van het geheel: nieuwe klanten bij de rij werden er door hen op attent gemaakt, dat de groentekaart getoond moest worden. (Deze werd van een merkteeken voorzien om te voorkomen, dat er in één gezin meer porties kwamen.)
EIGEN KWEEK
Blijft over de distributie van de producten van onze „eigen kweek", waarvoor ruim anderhalf millioen door Amsterdam is uitgetrokken. Niets, maar dan ook niets mag daarvan verloren gaan, ongeacht welke maatregelen daarvoor ook noodig zijn. Mochten er groenten komen, die de handel niet opneemt, omdat „het publiek" zijn eigen belang onvoldoende doorziet, dan moet de groente toch in de stad gebracht worden, te meer daar de hoeveelheden nooit zoo groot zijn, of er is een groep, die ze graag accepteert. Vele winkeliers hebben reeds de toezegging gedaan daarbij hun hulp te willen verleenen, mits de distributie dan buiten de gewone winkeluren valt. Deze houding doet ons denken aan die van de kersendistributie ten op het Troostplein: de baten waren hier zeer gering, de kersen werden n.l. voor 21 cent per kilo verkocht. Toch stelden zij het op prijs bij een voorkomende gelegenheid hun arbeid weer voor dat doel te geven.
Er is steeds te veel vernietigende critiek op alles geweest en te weinig opbouwende. Laat ons hier in Amsterdam zien, waartoe het laatste kan leiden. Maatregelen, die dan genomen worden, aanvaardt met gemakkelijker, ongeacht of aan bepaalde wettelijke voorschriften voldaan kan worden. De afwijkingen zijn dan op moreele motieven gefundeerd en zijn dan primair boven de wettelijke bepalingen. Uiteindelijk zijn wettelijke bepalingen de bevestiging van sociale en moreele behoeften. * Kernproblematiek: De tekst beschrijft de logistieke en morele uitdagingen van de voedseldistributie in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er is een constante spanning tussen aanbod, de geldigheid van distributiebonnen en de hebzucht of speculatie van handelaren en publiek.
* Innovatie: De introductie van een luidsprekerinstallatie (gevorderd van sportvelden) wordt gepresenteerd als een technologische oplossing om de communicatie op de markt te verbeteren en fysieke/geestelijke vermoeidheid bij ambtenaren te voorkomen.
* Psychologie van de massa: De auteur maakt een interessante vergelijking tussen een hongerige menigte en de aantrekkingskracht van een magneet. Dit illustreert de dreigende wanorde zodra schaarse goederen (zoals kersen) beschikbaar komen.
* Bestuurlijke moraal: Er wordt gepleit voor pragmatisme boven strikte wetgeving. De "moreele rechtsgrond" en "sociale behoeften" worden belangrijker geacht dan bureauctratische regels, vooral in crisistijd. Dit artikel is geschreven in de zomer van 1944, enkele maanden voor de Hongerwinter. De voedselsituatie in het bezette Nederland was nijpend. De genoemde locaties (Elandsgracht, Troostplein) wijzen op Amsterdamse volksbuurten waar de distributie van vers fruit en groente een cruciaal, maar explosief proces was. De verwijzing naar "Eigen Kweek" duidt op lokale initiatieven om in de eigen voedselbehoefte te voorzien, vaak op braakliggende terreinen of in parken. De toon van het artikel is belerend en roept op tot burgerzin en vertrouwen in de autoriteiten (het Marktwezen) om chaos te voorkomen.