Officiële gemeentelijke vergunning.
Origineel
Officiële gemeentelijke vergunning. Gedateerd 19 december 1939; uitgereikt op 20 december 1939. Model 10
№ 23/10 L.M. 1939 20/12
№ 20/119/5 M. 1939 23/12
No. 50/320 A.Z. 1939
4298 Br.
Gezien
Who
delhey
[Afbeelding: Wapen van Amsterdam]
BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN AMSTERDAM
Gezien een adres van H. J. de Wolf, daarbij vergunning verzoekende tot het bakken van pinda's op de markt aan de Lindengracht;
Overwegende, dat het blijkens onderzoek de bedoeling is, op de markten op de Lindengracht, in de Westerstraat en op Uilenburg op een marktkraam een door petroleum te verhitten bakinrichting te plaatsen voor het bakken van pinda's;
Gelet op artikel 265, eerste lid, in verband met artikel 5, eerste lid, der Algemeene Politieverordening van Amsterdam;
Geven H. J. de Wolf, wonende Lindengracht 25 (Centrum), alhier, te kennen, dat zijn bovenomschreven verzoek wordt toegestaan, onder voorwaarde:
1. dat de bakinrichting niet is opgesteld binnen een afstand van 20 m van garages en benzinepompen;
2. dat voor het bakken van pinda's uitsluitend gebruik wordt gemaakt van een door petroleum te verhitten bakinrichting;
3. dat de sub 2 genoemde bakinrichting is geplaatst in een ijzeren bak met opstaanden rand van zoodanige hoogte, dat de inhoud van den bak tenminste 3 x zoo groot is als de inhoud van het reservoir van de bakinrichting; genoemde bak moet voor 2/3 gedeelte zijn gevuld met droog zand;
4. dat het geheel is omgeven door een metalen bescherming van voldoende hoogte;
5. dat in de nabijheid van de pan, waarin de pinda's worden gebakken, steeds een metalen deksel van voldoende grootte aanwezig is, om de pan bij het in brand geraken van den inhoud te kunnen afdekken;
6. dat de bakinrichting is voorzien van een gesloten petroleumreservoir, dat geen grooteren inhoud heeft dan 1½ liter;
7. dat het tafelblad en de schragen van de marktkraam deugdelijk aan elkander zijn bevestigd;
8. dat nabij de bakinrichting steeds een hoeveelheid van tenminste 25 dm³ droog zand met een doelmatige zandschop aanwezig is.
Bepalen, dat uiterlijk binnen 14 dagen na uitreiking dezer vergunning aan de daarin gestelde voorwaarden moet zijn voldaan.
Herinneren den houder dezer vergunning, dat deze vergunning op hun eerste vordering aan ambtenaren van Politie en Brandweer ter inzage moet worden ter hand gesteld.
Amsterdam, 19 December 1939.
Burgemeester en Wethouders voornoemd,
DE VLUGT
De Secretaris,
(get.) VAN LIER
Leges f 1.-.
Afschrift aan den Hoofdcommissaris van Politie (2 stuks), den Commandant der Brandweer (2 stuks), de afdeeling Levensmiddelen (2 stuks) en aan den Directeur van den Keuringsdienst van Waren.
Markten.
Uitgereikt:
20 DEC 1939
M. de Raer
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris
[Handtekening: Van Lier]
Genoteerd
1/6 - 40
[Paraaf] * Administratieve nauwkeurigheid: Het document bevat tal van archiefnummers en stempels, wat duidt op een strak gereguleerd proces voor straathandel in Amsterdam.
* Focus op veiligheid: Opvallend is dat de vergunning bijna volledig uit veiligheidsvoorschriften (8 punten) bestaat. Het gebruik van petroleumbranders op drukke markten werd als een aanzienlijk brandrisico beschouwd. De eisen voor zandbakken, metalen deksels en een minimale afstand tot benzinepompen onderstrepen dit.
* Locatiegebonden: De vergunning is specifiek voor de markten Lindengracht, Westerstraat en Uilenburg, locaties die destijds (en deels nu nog) het hart van de Amsterdamse markthandel vormden.
* Leges: Voor de vergunning moest 1 gulden aan leges worden betaald, een aanzienlijk bedrag voor een kleine handelaar in die tijd. Dit document stamt uit december 1939, de periode van de 'Mobilisatie' in Nederland. Hoewel de Tweede Wereldoorlog in omringende landen al was begonnen, was Nederland op dit moment nog neutraal en functioneerde het civiele bestuur van Amsterdam (onder burgemeester Willem de Vlugt) nog op de gebruikelijke wijze.
De handel in gebakken pinda's was een typisch onderdeel van het Amsterdamse straatbeeld. De strenge regels tonen aan hoe de gemeente probeerde de balans te vinden tussen het ondersteunen van kleine neringdoenden tijdens de economisch lastige jaren '30 en het waarborgen van de publieke veiligheid in dichtbevolkte wijken zoals de Jordaan en de Uilenburg. De notatie "1/6-40" linksonder suggereert dat het dossier nog in gebruik was of gecontroleerd werd vlak na de Duitse inval in mei 1940.