Getypte brief (afschrift).
Origineel
Getypte brief (afschrift). 11 mei 1944. De Directeur (instelling niet expliciet vermeld, mogelijk een plaatselijke visafslag of distributiedienst). AFSCHRIFT. [handgeschreven in paarse inkt:] Extra
46b/18/2 M. 11 Mei 1944 vB/SV/RP.
toewijzing Mevrouw Den Heer Directeur van het
J.Grishaaver. Bedrijfschap voor Vissche-
rijproducten,
2e Adelheidstraat 300,
's-Gravenhage.
==============
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 17
Februari jl. no. 3880/Verd./KK bericht ik U,
dat mij na onderzoek het volgende is gebleken.
J.Grishaaver, Rijnstraat 25, alhier was vroeger
in de verdeeling van visch aan den afslag al-
hier opgenomen; sedert de ariseering van den
vischhandel is deze zaak echter onder beheer
gesteld van den Omnia Treuhand-gesellschaft
Hauptsachbearbeiter F.van Daelen. Naar aanlei-
ding dezer instelling mededeelde is de liqui-
datie dezer zaak nog niet afgewikkeld, omdat
alle papieren nog niet in orde zijn. Vermoede-
lijk zal de zaak wel worden heropend, doch dan
op naam van den zoon. Zoover is het echter nu
nog niet; de Omnia meent derhalve, dat thans
nog niet kan worden overgegaan tot opname in
de verdeeling alhier van de echtgenoote van
J.Grishaaver.
De Directeur, Deze brief vormt een formeel antwoord op een verzoek om Mevrouw J. Grishaaver (echtgenote van de oorspronkelijke handelaar) op te nemen in de visdistributie. De kern van de weigering ligt in het feit dat de viszaak van J. Grishaaver (gevestigd aan de Rijnstraat 25) is onderworpen aan "ariseering".
De zaak is door de bezetter onttrokken aan de joodse eigenaar en onder beheer gesteld van de Omnia Treuhandgesellschaft, met F. van Daelen als verantwoordelijke functionaris. Omdat de administratieve afwikkeling (liquidatie) van de oorspronkelijke zaak nog niet voltooid is, wordt de aanvraag van de echtgenote afgewezen. Er wordt gesuggereerd dat de zaak in de toekomst mogelijk op naam van de zoon heropend kan worden, maar de huidige bureaucratische status blokkeert elke directe toewijzing van vis aan de familie. Dit document is een direct bewijsstuk van de economische uitsluiting en onteigening van Joden tijdens de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945). De term "ariseering" (arisering) was de eufemistische term voor de gedwongen overdracht of liquidatie van joodse bedrijven aan niet-joodse eigenaren of de staat.
De Omnia Treuhandgesellschaft speelde hierin een centrale rol; zij traden op als beheerder ("Verwalter") van in beslag genomen joodse bezittingen en bedrijven. Het document illustreert de kille, bureaucratische taal waarin deze onteigening werd afgehandeld, waarbij de legale eigenaren hun middelen van bestaan verloren en zelfs de echtgenoten werden uitgesloten van verdere economische activiteit binnen hun branche.