Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 13 maart 1944. H.K. Köhler, Javaplein 27, Amsterdam (Oost). [Stempel linksboven:] № 466/35/1
[Stempel middenboven:] M. 1944 11/3
[Rechtsboven:] K
[Rechtsboven:] A: dam 13-3-’44
[Handgeschreven aantekening diagonaal rechtsboven:] ni. insp dossier 1/4 44
WelEdele Heer,
Hiermede is ondergeteekende, H.K. Köhler zoo vrij U wederom te verzoeken zijn toewijzing te willen herzien en hem in de verdeeling der Noordzee vis op te nemen.
Zooals reeds bij vorige verzoeken werd meegedeeld werd in de jaren 1938-39-40 door mij vis gebakken. Hoewel ik over deze jaren geen boekhouding kan overleggen spreekt het feit dat ik als erkend visbakker een olie toewijzing kreeg (dit was voor er een verdeeling van vis plaats had) voor zichzelf.
Waar ik thans reeds geruimen tijd de dupe ben van het feit dat ik voorheen geen boekhouding bezat, hoop ik dat U thans een gunstige beslissing op mijn verzoek zult willen nemen, waarvoor ik U bij voorbaat dank zeg.
Inmiddels gaarne tot verdere inlichtingen bereid zijnd, Teeken ik,
Hoogachtend
H.K. Köhler [handtekening]
H.K. Köhler Javaplein 27
Winkel A: dam. O.
[Onderaan diagonaal geschreven:] afwijzen
[Onderaan:] 466/35/2
--- In deze brief verzoekt H.K. Köhler, een winkelier/visbakker gevestigd aan het Javaplein in Amsterdam-Oost, om een toewijzing van "Noordzeevis". Hij refereert aan eerdere verzoeken die blijkbaar zijn afgewezen omdat hij geen boekhouding uit de jaren 1938-1940 kan overleggen.
Köhler voert als bewijs voor zijn recht op een toewijzing aan dat hij voor de invoering van de visdistributie wel al een toewijzing voor olie ontving in zijn hoedanigheid als "erkend visbakker". Hij stelt dat hij momenteel de dupe is van het ontbreken van een administratief verleden. Ondanks zijn verzoek is er onderaan de brief met potlood of pen de instructie "afwijzen" geschreven, wat duidt op een negatieve beschikking door de betreffende instantie.
--- De brief dateert uit maart 1944, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was er sprake van extreme schaarste en stond de distributie van vrijwel alle levensmiddelen onder strikt toezicht van de overheid (de Rijksdienst voor de Voedselvoorziening).
Voor ondernemers was het essentieel om aan te tonen dat zij reeds voor de oorlog een gevestigde zaak hadden om aanspraak te kunnen maken op toewijzingen van schaarse grondstoffen of producten. De bureaucratie was onverbiddelijk: het ontbreken van een formele boekhouding was vaak een directe grond voor afwijzing, zoals in dit geval lijkt te zijn gebeurd. De locatie, het Javaplein in de Indische Buurt van Amsterdam, was destijds een levendige volksbuurt die zwaar getroffen werd door de beperkingen van de oorlogstijd.