H. Ter
Bekijk Verhaal ➔AI-Synthese 33
H. Ter was een marktkoopman gespecialiseerd in vis (standplaats Alb) op de Ten Katestraat. In 1940 verloor hij zijn standplaats na een besluit van de autoriteiten, wat leidde tot financiële problemen. In 1943 was hij nog actief in de vishandel. De volledige omstandigheden van zijn lotgevallen zijn beperkt door de beschikbare data.
Lotgevallen
Handel
Archiefdocumenten
Handgeschreven brief (verzoekschrift).
* **Inhoud:** De schrijver, H. Ter Voort, wendt zich tot Dr. Van der Laan met een dringend verzoek om hulp. Ter Voort is zijn standplaats op de vismarkt kwijtgeraakt door een besluit van de geadresseerde (of diens afdeling). Hierdoor is hij in financiële nood gekomen. Eerdere aanvragen voor sociale steun en bedrijfskrediet ("handelsgeld") zijn afgewezen. Hij vraagt Dr. Van der Laan nu om te bemiddelen bij het "B.A." voor een voorschot en vraagt of er een regeling mogelijk is om zijn marktplaats terug te krijgen. * **Taalgebruik:** Het document is geschreven in een eerbiedige maar wanhopige toon. Het handschrift en het taalgebruik (zoals "uw" in plaats van "u", "staan ik" en "begginen") wijzen op een schrijver met een beperkte formele opleiding, wat typerend is voor de sociaaleconomische klasse van kleine marktkooplieden in die tijd. * **Instellingen:** Er wordt verwezen naar het "B.A.", wat zeer waarschijnlijk staat voor het *Bureau voor Arbeidsbemiddeling* of een vergelijkbare gemeentelijke instantie in Amsterdam die destijds belast was met steunverlening en werkverschaffing.
Document
Dit document betreft een ambtelijk advies over het recht op een marktplaats aan de Lindengracht in Amsterdam. De marktkoopman, H. ter Horst, was zijn plek op 22 januari 1940 kwijtgeraakt vanwege een schuld van 4,20 gulden. De adviseur, Th. Wolff, adviseert op 4 maart 1940 om de intrekking ongedaan te maken. De argumentatie hiervoor is menselijk van aard: er wordt rekening gehouden met de "moeilijkheden" die de koopman ondervond door de extreme vorstperiode. De voorwaarde voor het terugkrijgen van de plek is echter dat de openstaande schuld onmiddellijk wordt betaald. De latere aantekeningen onderaan duiden op een vervolgafspraak (oproep) op 14 maart 1940, ondertekend door een ambtenaar genaamd De Haar.
Bijblad (notitieblad) behorende bij een dossier.
Het document is een ambtelijk verslag van de eerste contacten tussen de directie van de Centrale Markt (C.M.) in Amsterdam en de Duitse bezettingsautoriteiten, vlak na de capitulatie van Nederland in mei 1940. * **Bezoek Berger:** Op 21 mei 1940 bezoekt Verwaltungsrat Berger de markt voor een oriëntatie op de prijsvorming en distributie van producten. Dit wijst op de directe belangstelling van de bezetter voor de voedselvoorziening. * **Vordering en kosten:** De notitie van 24 mei betreft de ingebruikname van gebouwen door de Wehrmacht en de door de Nederlandse dienst gemaakte kosten (zoals sanitair). Er wordt melding gemaakt van een toekomstige "verrekening van vergoeding", wat duidt op de administratieve afwikkeling van vorderingen. * **Interne communicatie:** De vraag onderaan (gedateerd 6 juni) toont de interne hiërarchie en de noodzaak om dergelijke gevoelige besprekingen met de bezetter te rapporteren aan een overkoepelende commissie.
Getypte brief op briefpapier van de afzender.
In deze zakelijke correspondentie verzoekt J.H. ter Punt om de stopzetting van huurbetalingen ("ontheffing de verlenen van de betaling uit hoofde van huur verbindingen") per 1 juni 1942 voor een vijftal specifieke firma's. Ter Punt treedt hierbij op in zijn officiële functie van *Treuhänder* (bewindvoerder) en *Liquideur* (vereffenaar). De brief vermeldt de volgende bedrijven die onder zijn beheer vallen: 1. B. Moffie 2. J. Posener 3. N. de Rooy 4. Gebrs. Rodenburg 5. S. Schelvis & Zn. Ter Punt geeft aan dat hij voor deze functies is aangesteld door de *Wirtschaft Prüfstelle*. De brief is een vervolg op een schrijven van 27 april 1942.
Handgeschreven verzoekschrift (brief).
De brief is een verzoek van H. Ter Voort Jr. om opgenomen te worden op een lijst voor "aal toewijzing" (paling-distributie). De schrijver uit zijn frustratie over het uitblijven van actie nadat hij zes tot zeven weken eerder een toezegging had gekregen van een zekere mijnheer De Haan. In het postscriptum wordt een conflict met een ambtenaar (mijnheer Gootjes) beschreven over de aard van de toewijzing. Gootjes stelt blijkbaar dat de 20 pond paling die Ter Voort ontvangt bedoeld is voor de algemene voedselvoorziening ("voor 't publiek") en niet om winst mee te maken ("niet voor de verdienste"). Ter Voort voert hiertegen aan dat hij als handelaar wel degelijk een inkomen nodig heeft om zijn gezin te onderhouden. Het handschrift en de spelling (zoals "inwillegd", "verzoch" en het gebruik van "mijn" in plaats van "mij") duiden op een schrijver met een eenvoudige achtergrond, vermoedelijk een kleine zelfstandige vishandelaar uit de Jordaan die door de oorlogsomstandigheden en distributiemaatregelen in financiële nood is gekomen.
Getypte notulen of een rapportage (doorslag), waarschijnlijk van een Amsterdamse gemeentelijke commissie betreffende de visvoorziening.
Dit document betreft de regulering en distributie van vis in Amsterdam, specifiek gericht op de classificatie van "fijne zeevisch" (zoals tong, tarbot en zalm) versus algemene soorten zoals kabeljauw en schelvis. Er is een conflict tussen gevestigde winkeliers op de "fijne zeevischlijst" en halhouders of straathandelaren over wie recht heeft op de verkoop van bepaalde partijen, zoals een grote zending Deense vis. Daarnaast wordt de individuele casus van S.C. Marinus Jr. behandeld. Hoewel hij claimt een belangrijke rol in de Amsterdamse vishandel te spelen, diskwalificeert de commissie hem als "bona fiden kleinhandelaar". Hij wordt ervan beschuldigd slechts een stroman ("gangmaker en prijszetter") te zijn voor vissers uit Urk, wat ten nadele zou werken van de eerlijke detailhandel. Zijn verzoek om te worden opgenomen in de officiële distributie wordt daarom krachtig afgewezen.
Handgeschreven brief (verzoekschrift) met administratieve stempels en aantekeningen.
Het document is een zakelijk verzoek van de heer H. ter Voort Jr. aan een overheidsinstantie (vermoedelijk de distributiedienst of een plaatselijk bureau voor voedselvoorziening). De schrijver verzoekt om een "toewijzing" — een term die in de oorlogsjaren veelal sloeg op distributiebonnen, vergunningen of schaarse goederen — te laten ophalen door een derde partij: de Gebroeders Dombroek. De brief getuigt van een strikte bureaucratische afhandeling. Hoewel het verzoek op 31 juli 1944 wordt ingewilligd met de opmerking "Geen bezwaar", voegt de controlerende ambtenaar een belangrijke beperkende voorwaarde toe: de overdracht mag enkel geschieden indien de aanvrager zelf fysiek in IJmuiden aanwezig is. Dit duidt op de strenge controlemechanismen tijdens de bezettingsperiode om fraude met toewijzingen te voorkomen.
Koopliedenlijsten
meerdere — standplaats Alb
Relevante Archieffragmenten
# TRANSCRIPTIE [In de bovenmarge:] dr. Ter Heuge (diabetici)
# TRANSCRIPTIE [Handgeschreven in blauwe inkt: H m...] [Rode schuine streep] [Rechtsboven getypt:] HB. den Heer Wethouder ...
# TRANSCRIPTIE aan den Heer Inspecteur A.H. de Haer Marktwezen. ___________________
# TRANSCRIPTIE tuinder (48 jr) H. Preventur(?) e. b. d. Hout Sluiters bij Lijndijk 181 - H'lmeer wordt opgenomen plaats op C. M. Gasthuis mits voorzien v. goedgek. afschrift no 8. C. bericht v/h B. v. C.
# TRANSCRIPTIE [Handgeschreven:] *extra* HG. 10/12/2 M. n diverse. 15 April 1941. den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, A l h i e r .