Officiële brief/kennisgeving.
Origineel
Officiële brief/kennisgeving. 13 september 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten, Amsterdam). Den Heer J. Matteman, Vrolikstraat 138, Amsterdam-Oost. VP/HG.
Extra [handgeschreven]
den Heer J. Matteman,
Vrolikstraat 138,
Amsterdam-Oost.
Wijk 20.
33/61/4 M. 13 September 1940.
Naar aanleiding van Uw brief ingekomen op 27 Augustus jl.
bericht ik U, dat het daarin vervatte verzoek niet voor inwilli-
ging in aanmerking kan komen. Indien U voortaan Uw plaats op de
markt Westerstraat niet regelmatig bezet, zal deze plaats worden
ingetrokken, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het
Reglement op de Markten.
De Directeur, De brief is een formele afwijzing van een verzoek dat door de heer J. Matteman op 27 augustus 1940 was ingediend. Hoewel de aard van het verzoek niet expliciet wordt genoemd, blijkt uit de context dat het gaat over zijn standplaats op de markt in de Westerstraat (de bekende Jordaanmarkt in Amsterdam).
De toon van de brief is streng en bureaucratisch. Naast de afwijzing bevat de brief een expliciete waarschuwing: als de heer Matteman zijn marktplaats niet "regelmatig bezet", zal deze worden ingetrokken op basis van het Marktreglement. Dergelijke strikte handhaving van regels was in deze periode vaak een voorbode van administratieve uitsluiting. De datum van de brief, 13 september 1940, is van historisch belang. De Duitse bezetting van Nederland was op dat moment vier maanden oud. In deze beginfase van de bezetting begonnen de autoriteiten (zowel de bezetter als de collaborerende of meewerkende Nederlandse bureaucratie) met het nauwgezet controleren van vergunningen en regelgeving, wat later zou escaleren in de systematische uitsluiting van Joodse burgers uit het openbare en economische leven.
De geadresseerde, Jacob Matteman (wonend aan de Vrolikstraat 138), was een Joodse marktkoopman. Uit archiefstukken van de Joodse Raad en de Marktendienst blijkt dat veel Joodse kooplieden in deze periode onder grote druk kwamen te staan. In de loop van 1941 werden Joden uiteindelijk geheel verbannen van de reguliere Amsterdamse markten en moesten zij uitwijken naar speciale "Joodse markten". Deze brief uit september 1940 kan gezien worden als een vroeg stadium van deze bureaucratische druk, waarbij strikte naleving van de regels (zoals aanwezigheidsplicht) werd geëist in een tijd waarin het voor Joodse Amsterdammers steeds moeilijker werd hun beroep uit te oefenen. J. Matteman