Archief 745
Inventaris 745-293
Pagina 231
Dossier 2A
Jaar 1939
Stadsarchief

Getypte ambtelijke nota / brief.

4 april 1939. Van: Onbekend (vermoedelijk een directeur of adviseur van een gemeentelijke dienst).

Origineel

Getypte ambtelijke nota / brief. 4 april 1939. Onbekend (vermoedelijk een directeur of adviseur van een gemeentelijke dienst). 59/2/5 M
1

extra (handgeschreven)

VP/G.

4 April 1939

Nota inzake de kleinhandels-
veiling op de Centrale Markt.

den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d.
24 Maart jl. om advies ontvangen stuk no.781 L.M.1937 heb ik
de eer U te berichten, dat ik gaarne zou zien, dat in de
uiteenzetting van myn opvatting inzake het vraagstuk van de
kleinhandelsveiling nog de navolgende twee punten worden
vermeld.

1e. Tot staving van myn opvatting, dat het ver-
dwynen van de kleinhandelsveiling geen prysstyging ten
gevolge zal hebben, berichtte ik (vide vervolgblad 8 alinea
1 van myn rapport d.d. 12 November 1937 No.59/20/1 M en myn
rapport d.d. 29 November 1938 No.59/6/23 M), dat de veiling
noch winteraardappelen noch buitenlandsch fruit verkoopt,
terwyl nochtans de pryzen van deze producten hier ter stede
steeds laag zyn. Dit zou in de nota kunnen worden opgenomen
byvoorbeeld door op pagina 8 in den tweeden regel van on-
deren de punt achter het woord "gemaakt" te vervangen door
een ; en daarna in te voegen: "dit blykt ook uit het feit,
dat de veiling nimmer winter-aardappelen of buitenlandsch
fruit (waaronder zuidvruchten) verkoopt, terwyl nochtans de
pryzen van deze producten hier ter stede steeds alleszins
redelyk zyn."

2e. In myn bovenaangehaald rapport d.d. 29 Novem-
ber 1938 (No.59/6/23 M) wees ik onder andere op het feit, dat
indien de veiling zich zou ontwikkelen, dit niet alleen zou
geschieden ten koste van de grossiers, maar ten koste van de Dit document is een ambtelijk advies aan de Amsterdamse Wethouder voor Levensmiddelen. De schrijver reageert op een concept-nota over de toekomst van de kleinhandelsveiling op de Centrale Markt.

De kern van het betoog is dat het opheffen van deze specifieke veiling geen nadelige gevolgen zal hebben voor de consumentenprijzen. De schrijver voert als bewijs aan dat producten die niet via de veiling verhandeld worden (zoals winteraardappelen en importfruit), toch stabiel laag geprijsd blijven in de stad. De auteur stelt concrete tekstuele wijzigingen voor om dit argument in de definitieve nota te verwerken. Het tweede punt suggereert dat een verdere groei van de veiling schadelijk zou zijn voor de positie van de grossiers (groothandelaren).

De spelling is kenmerkend voor de vroege 20e eeuw (bijv. "myn", "prysstyging", "nochtans") en het taalgebruik is uiterst formeel en bureaucratisch ("heb ik de eer U te berichten"). Het document dateert van april 1939, een periode van grote economische en politieke spanning vlak voor de Tweede Wereldoorlog. De Centrale Markt in Amsterdam (geopend in 1934) was het kloppend hart van de voedseldistributie. De discussie over de "kleinhandelsveiling" raakt aan de ordening van de markt: mochten kleine winkeliers direct op de veiling inkopen, of moest dit via de tussenhandel (grossiers) verlopen?

De Wethouder voor Levensmiddelen in Amsterdam was in deze periode Florentinus Marinus (Floor) Wibaut (tot 1935) of diens opvolgers zoals Josephus Robertus (Joop) de Jong. Zij hielden toezicht op de betaalbaarheid en beschikbaarheid van voedsel voor de Amsterdamse bevolking, een taak die met de naderende oorlogsdreiging steeds crucialer werd. De referentie naar rapporten uit 1937 en 1938 toont aan dat dit een langlopend dossier was over de efficiëntie van de stedelijke marktvoorziening.

Samenvatting

Dit document is een ambtelijk advies aan de Amsterdamse Wethouder voor Levensmiddelen. De schrijver reageert op een concept-nota over de toekomst van de kleinhandelsveiling op de Centrale Markt.

De kern van het betoog is dat het opheffen van deze specifieke veiling geen nadelige gevolgen zal hebben voor de consumentenprijzen. De schrijver voert als bewijs aan dat producten die niet via de veiling verhandeld worden (zoals winteraardappelen en importfruit), toch stabiel laag geprijsd blijven in de stad. De auteur stelt concrete tekstuele wijzigingen voor om dit argument in de definitieve nota te verwerken. Het tweede punt suggereert dat een verdere groei van de veiling schadelijk zou zijn voor de positie van de grossiers (groothandelaren).

De spelling is kenmerkend voor de vroege 20e eeuw (bijv. "myn", "prysstyging", "nochtans") en het taalgebruik is uiterst formeel en bureaucratisch ("heb ik de eer U te berichten").

Historische Context

Het document dateert van april 1939, een periode van grote economische en politieke spanning vlak voor de Tweede Wereldoorlog. De Centrale Markt in Amsterdam (geopend in 1934) was het kloppend hart van de voedseldistributie. De discussie over de "kleinhandelsveiling" raakt aan de ordening van de markt: mochten kleine winkeliers direct op de veiling inkopen, of moest dit via de tussenhandel (grossiers) verlopen?

De Wethouder voor Levensmiddelen in Amsterdam was in deze periode Florentinus Marinus (Floor) Wibaut (tot 1935) of diens opvolgers zoals Josephus Robertus (Joop) de Jong. Zij hielden toezicht op de betaalbaarheid en beschikbaarheid van voedsel voor de Amsterdamse bevolking, een taak die met de naderende oorlogsdreiging steeds crucialer werd. De referentie naar rapporten uit 1937 en 1938 toont aan dat dit een langlopend dossier was over de efficiëntie van de stedelijke marktvoorziening.

Kooplieden in dit dossier 61

Gerelateerde Documenten 6