Ambtelijke notitie / memorandum.
Origineel
Ambtelijke notitie / memorandum. 27 juni 1940 (gebaseerd op de kantlijnnotitie). Volgens telefonische mededeeling van Inspecteur van Gelder,
heeft de politie op het verzoek van P. Bouman, om
op enkele markten te mogen fotografeeren, afwijzend
geadviseerd, uit een oogpunt van concurrentie
tegenover anderen.
M.i. is deze argumentatie onjuist.
Bij de uitgifte van marktplaatsen moet m.i.
alleen maar worden nagegaan of deze op grond
van de bestaande voorschriften kunnen wor-
den verleend, waarbij dan in bijzondere
gevallen dient te worden ~~nagegaan~~ overwogen
of de overigen kooplieden, door het toestaan
van den verkoop van een bepaald artikel,
mogelijk overlast wordt aangedaan. Ik neem hier
o.a. het bakken van visch. Zoo kan het fotografeeren
in verband met overlast, niet op iedere markt
worden toegestaan. Tegen het verleenen van een plaats
op de Noordermarkt, Mosplein en Uilenburg bestaat echter geen
bezwaar (zie rapporten marktambtenaren.)
Ik merk hierbij nog op dat de politie op deze zaak advies heeft
moeten uitbrengen, daar zonder vergunning van Burgemeester en
Wethouders, het beroep van straatfotograaf niet mag worden uitge-
oefend. Bouman is echter in het bezit van die vergunning.
Ik geef u ten slotte in overweging de Wethouder te adviseeren
P. Bouman toe te staan om op de Noordermarkt, Mosplein en Uilenburg een plaats
in te nemen.
[In de kantlijn links:]
N.O. 10
N.O. 2
27-6-40 De kern van dit document is een ambtelijk meningsverschil over de criteria voor het toewijzen van marktplaatsen. De politie (vertegenwoordigd door Inspecteur van Gelder) had het verzoek van P. Bouman om op markten te mogen fotograferen afgewezen om "concurrentie" te voorkomen.
De schrijver van deze notitie bestrijdt dit standpunt. Volgens de auteur mag concurrentie geen reden zijn voor weigering; de gemeente moet enkel toetsen aan de bestaande voorschriften en kijken of er sprake is van "overlast" (zoals stank of rook bij visbakken). Omdat marktambtenaren hebben gerapporteerd dat er op de Noordermarkt, het Mosplein en Uilenburg geen sprake is van bezwaar, en omdat Bouman al beschikt over de vereiste algemene vergunning voor straatfotografie, luidt het advies om hem alsnog de standplaatsen toe te kennen. Het document is gedateerd op 27 juni 1940, slechts zes weken na de capitulatie van Nederland. Hoewel de toon strikt bureaucratisch is, is de context van de vroege bezettingstijd interessant: het dagelijks leven en de regulering van markten in Amsterdam gingen in eerste instantie door volgens de bestaande APV (Algemene Plaatselijke Verordening).
De genoemde locaties zijn iconisch voor Amsterdam: de Noordermarkt in de Jordaan, het Mosplein in Amsterdam-Noord en Uilenburg, dat indertijd een belangrijk onderdeel van de Joodse buurt was. Straatfotografie was in die jaren een populair maar streng gereguleerd beroep; fotografen maakten vaak snelle portretten van voorbijgangers die zij later als kaart verkochten. De discussie over "concurrentie" duidt erop dat er waarschijnlijk al andere fotografen actief waren of dat men vreesde voor een wildgroei aan standplaatsen op de drukke markten. P. Bouman Politie