Dienstbrief (overheidscorrespondentie)
Origineel
Dienstbrief (overheidscorrespondentie) 4 juli 1940 Directie van Handel en Nijverheid van het Departement van Economische Zaken (namens de Secretaris-Generaal) De heer Burgemeester van Amsterdam DIRECTIE VAN HANDEL EN NYVERHEID
van het Departement van
Economische Zaken.
's-Gravenhage, 4 Juli 1940.
No. 33567 M.
1 Bylage.
Betreffende verhuur van standplaatsen.
Hierby heb ik de eer U ter inzage te doen toekomen het
my door den Rykscommissaris ter behandeling toegezonden schry-
ven d.d. 14 Juni jl. van Mejuffrouw Kesteren te Amsterdam,
met verzoek by terugzending te willen vermelden tot welke op-
merkingen bedoeld schryven U aanleiding heeft gegeven.
De Secretaris-Generaal.
Wnd. Hoofd van het Departement
van Handel, Nyverheid en Scheepvaart,
Voor dezen
De Administrateur,
w.g. onleesbaar.
Aan den heer Burgemeester van
AMSTERDAM. Deze brief is een formeel ambtelijk schrijven waarin een verzoek van een burger wordt doorgeleid naar de gemeente Amsterdam voor commentaar. De tekst is kenmerkend voor de ambtelijke stijl van de vroege 20e eeuw, met archaïsche spelling (bijv. "nyverheid", "schryven", "bylage") en een strikt hiërarchische toon ("heb ik de eer U... te doen toekomen").
Het document toont de administratieve weg die een burgerinitiatief aflegde: Mejuffrouw Kesteren schreef een brief, deze belandde bij de Rijkscommissaris, die stuurde het naar het Departement van Economische Zaken, dat het op zijn beurt voor advies voorlegt aan de Burgemeester van Amsterdam. De ondertekening geschiedt "voor dezen" (namens de Secretaris-Generaal) door een administrateur, wat gebruikelijk was voor routinezaken. De datum, 4 juli 1940, plaatst dit document in de allereerste maanden van de Duitse bezetting van Nederland (die begon op 10 mei 1940). De referentie aan "den Rykscommissaris" is veelzeggend; dit was Arthur Seyss-Inquart, de nazi-bestuurder van het bezette Nederland.
Het feit dat een brief over zoiets triviaals als "verhuur van standplaatsen" via het bureau van de Rijkscommissaris loopt, illustreert hoe burgers in de beginperiode van de bezetting soms probeerden hun gelijk te halen door zich direct tot het nieuwe hoogste gezag te wenden. Tegelijkertijd laat het zien dat de Nederlandse bureaucratie onder de Secretarissen-Generaal de dagelijkse gang van zaken trachtte voort te zetten, zij het onder Duits toezicht. De bestuurlijke structuur van Nederland werd in deze fase door de bezetter gebruikt om de controle over de samenleving te consolideren.